10. Installatie gemeenteraad en benoeming wethouders

10. Installatie gemeenteraad en benoeming wethouders

  • 10.1 Eerste samenkomst nieuwe raad
  • 10.2 Tussen stemming en eerste samenkomst
  • 10.3 Benoeming wethouders en aftreden zittende wethouders
  • 10.4 Herindelingsgemeenten

In mei 2001 is de Handreiking Installatie gemeenteraad en benoeming wethouders uitgebracht. Door de behandeling in de Tweede Kamer is deze handreiking op bepaalde punten achterhaald geraakt. Om die reden is in dit hoofdstuk een geactualiseerde tekst opgenomen.

10.1 De eerste samenkomst van de nieuwe raad
Oude termijn tussen stemming en eerste samenkomst

Bij vorige raadsverkiezingen trad de oude raad steeds af op de dinsdag in de periode van 12 tot en met 18 april. Dat is bijna zes weken na de verkiezing van de leden van de raad. Op diezelfde dag kwam dan de nieuwe gemeenteraad voor het eerst bijeen. Dat de termijn tussen de verkiezing en de eerste samenkomst van de nieuwe raad ongeveer zes weken was, had te maken met het feit dat de nieuwe raad in zijn eerste vergadering de wethouders uit zijn midden koos. Er moest voldoende tijd zijn om de samenstelling van het nieuwe college voor te bereiden. De zittende wethouders traden tegelijk met de oude raad af. Dat was vanzelfsprekend omdat het wethouderschap was verbonden met het raadslidmaatschap: op het moment dat iemand ophield raadslid te zijn, hield hij ook op wethouder te zijn.

Nieuwe termijn tussen stemming en eerste samenkomst

Tot de kern van de Wet dualisering gemeentebestuur behoort dat het wethouderschap en raadslidmaatschap niet langer kunnen worden gecombineerd. Een raadslid die tot wethouder wordt benoemd, verliest zijn raadslidmaatschap. Net zoals een Tweede-Kamerlid die tot minister wordt benoemd, niet langer Tweede-Kamerlid kan zijn. Wethouder behoeven niet meer uit de raad afkomstig te zijn, maar het mag wel. Wat niet verandert, is dat de wethouders door de raad worden benoemd.

Omdat het wethouderschap en raadslidmaatschap worden ontkoppeld, is het ook niet langer vanzelfsprekend dat het wethouderschap eindigt op het moment dat de oude raad aftreedt. Zoals het "oude" kabinet doorgaans nog enkele maanden in functie blijft nadat de leden van de "oude" Tweede Kamer na verkiezingen zijn afgetreden, kunnen onder de nieuwe verhoudingen de wethouders dat ook nadat de leden van de oude raad zijn afgetreden. Er kunnen dus demissionaire wethouders zijn, zoals er ook demissionaire ministers kunnen zijn. Dit betekent dat de termijn die nodig is voor de vorming van een nieuw college niet langer bepalend hoeft te zijn voor de termijn die nodig is tussen de verkiezing van de gemeenteraad en de eerste samenkomst van de nieuwgekozen raad. Er hoeft voor wat betreft de lengte van die laatste termijn alleen nog rekening te worden gehouden met de formaliteiten die nodig zijn voordat de nieuwe raad kan worden geïnstalleerd. Daarom is die termijn tussen stemming en eerste samenkomst van de nieuwe raad bepaald op acht dagen.

Op de donderdag in de periode van 10 tot en met 16 maart (in een schrikkeljaar de donderdag in de periode van 9 tot en met 15 maart) komt de nieuwe raad in een verkiezingsjaar voor het eerst bijeen. De woensdag daarvóór, dus de zevende dag na de stemming, is de laatste zittingsdag van de oude raad. In 2002 betekent dat, dat de eerste raadsvergadering op donderdag 14 maart wordt gehouden en dat de oude raad voor het laatst op woensdag 13 maart kan vergaderen. Consequentie van de verkorting van de termijn tussen stemming en eerste samenkomst tot acht dagen is, dat tegen de beslissingen van de raad inzake de toelating van nieuwe raadsleden geen beroep op de bestuursrechter meer open staat.

10.2 Wat moeten gemeenten doen tussen stemming en eerste samenkomst
Voordat de nieuwe raad op 14 maart 2002 bijeen kan komen, moeten na de stemming diverse handelingen worden verricht. Allereerst moet natuurlijk de uitslag officieel worden vastgesteld, zodat bekend wordt welke kandidaten zijn gekozen in de raad. De gekozen kandidaten moeten van hun verkiezing op de hoogte worden gesteld en diverse stukken overleggen aan de raad. Die stukken zijn nodig voor het onderzoek naar de geloofsbrieven dat de oude raad moet doen. Deze zaken komen hierna stuk voor stuk aan de orde.

1 Vaststelling verkiezingsuitslag

In de termijnen rond de vaststelling van de verkiezingsuitslag worden geen wijzigingen aangebracht. Uit de Kieswet vloeit voort dat de uitslag door het centraal stembureau voor de gemeenteraadsverkiezingen wordt vastgesteld op de vrijdag na de stemming op woensdag. In 2002 dus op vrijdag 8 maart.

2 Uitreiking benoemingsbesluiten

Op grond van het huidige artikel V 1 van de Kieswet heeft het centraal stembureau drie dagen de tijd om de benoemingsbesluiten aangetekend te verzenden of tegen gedagtekend ontvangstbewijs uit te reiken. Bij het parlement is echter een wetsvoorstel aanhangig waarin deze termijn wordt verkort tot één dag. Bovendien bestaat op grond van dit wetsvoorstel alleen de mogelijkheid om de benoemingsbesluiten in persoon uit te reiken. Verzending per post is dus niet langer mogelijk. In verband met de Algemene termijnenwet betekent het voorgaande voor de verkiezingen in 2002 dat de benoemingsbesluiten uiterlijk op maandag 11 maart uitgereikt moeten worden. Hierna worden enkele tips gegeven voor een snelle werkwijze.

Op de dag waarop de uitslag wordt vastgesteld zal de voorzitter van het centraal stembureau de benoemingsbrieven van de gekozenen moeten tekenen. De brieven kunnen al vóór de stemming worden aangemaakt voor de kandidaten die naar verwachting worden gekozen. De dag nà de stemming is er vervolgens voldoende tijd om de benoemingsbesluiten gereed te maken voor ondertekening door de voorzitter.

Daarnaast is het raadzaam om alle gekozen kandidaten op de middag van de vaststelling van de uitslag of de maandag daarop naar het gemeentehuis te laten komen om daar hun benoemingsbrief in ontvangst te nemen. Van te voren kunnen er afspraken worden gemaakt met de fracties en de lokale partijbesturen of partij-afdelingen over de exacte tijden waarop de gekozen kandidaten de benoemingsbesluiten kunnen ophalen op het gemeentehuis.

De voorzitter van het centraal stembureau zorgt er ook voor dat tegelijkertijd met de kennisgeving aan het gekozen raadslid, van de benoeming kennis wordt gegeven aan de raad (de zogenaamde geloofsbrief). Deze kennisgeving moet dus ook uiterlijk de maandag na de vaststelling van de uitslag plaatsvinden.

3 Aanvaarding van de benoeming

Om tot lid te kunnen worden toegelaten, moet de benoemde zijn benoeming schriftelijk aanvaarden. Tegelijk met die aanvaarding moet hij aan de raad een ondertekende verklaring overleggen, waarop alle openbare betrekkingen staan die hij bekleedt (artikel V 3, lid 1, Kieswet). Als de benoemde geen lid van de raad is op het tijdstip van benoeming, moet hij ook een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven overleggen, waaruit zijn woonplaats en datum en plaats van geboorte blijken (artikel V 3, lid 2, Kieswet). Indien de benoemde geen onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese Unie, moet bovendien uit het afschrift blijken dat hij voldoet aan de vereisten voor het lidmaatschap die gelden voor niet-EU-onderdanen (artikel V3, lid 4, Kieswet; de vereisten zijn opgenomen in artikel 10, tweede lid, Gemeentewet). Omdat het bij raadsverkiezingen niet of nauwelijks voorkomt dat benoemden buiten Nederland wonen (zij zullen om te kunnen worden toegelaten tot lid ook moeten verhuizen), wordt die situatie hier verder buiten beschouwing gelaten (zie onder andere artikel V 3, derde lid, van de Kieswet).

Formeel heeft een benoemde tien dagen de tijd om zijn benoeming te aanvaarden (uiterlijk op de tiende dag na de kennisgeving moet hij de mededeling van aanvaarding van de benoeming doen en daarbij de genoemde stukken aan de raad overleggen, artikelen V 2 en V 3 Kieswet). Als iedereen daadwerkelijk van deze termijn gebruik maakt, is het niet mogelijk de procedure af te ronden voordat de oude raad aftreedt. Het is daarom zaak dat afspraken worden gemaakt met politieke partijen en fracties dat zij tijdig diegenen die een goede kans hebben te worden gekozen, inlichten over de stukken die zij moeten inleveren. Het is voor alle betrokkenen het prettigst als de stukken worden ingeleverd tegelijk met het afhalen van het benoemingsbesluit. Op het gemeentehuis kunnen al formulieren voor de aanvaarding van de benoeming klaarliggen. Ook verdient het aanbeveling dat op het gemeentehuis formulieren klaarliggen waarop kan worden aangegeven welke openbare functies worden bekleed. Ten slotte is het raadzaam ervoor te zorgen dat de gekozenen die nog geen lid zijn van de gemeenteraad, op de dag dat zij hun benoemingsbrief afhalen het benodigde afschrift kunnen krijgen uit de GBA.

Voor diegenen die hun benoeming niet of niet tijdig (dus binnen tien dagen) aanvaarden, moet uiteraard een opvolger worden benoemd. De Kieswet regelt hoe dat moet (hoofdstukken V en W).

4 Beslissing omtrent de toelating

In de Wet dualisering gemeentebestuur wordt bepaald dat de raad de beslissing over de toelating 'onverwijld' moet nemen. Dit betekent voor de praktijk dat de raad uiterlijk op de zevende dag na de stemming, de laatste zittingsdag van de oude raad, over de toelating van de nieuwe raadsleden moet beslissen. Voor de verkiezingen van 2002 komt dit er op neer, dat het geloofsbrievenonderzoek uiterlijk op woensdag 13 maart afgerond dient te worden. Artikel V 4 van de Kieswet geeft regels voor de beslissing over de toelating. Ook moet de raad beslissen over eventuele geschillen met betrekking tot de verkiezing.

Het kan voorkomen dat het niet mogelijk is om op uiterlijk op de zevende dag na de stemming over de toelating van alle nieuwbenoemden te beslissen. Reden hiervoor kan zijn dat niet iedereen tijdig voor die dag de benoeming heeft aanvaard en de benodigde stukken heeft overgelegd, de uitslag niet juist is vastgesteld of de verkiezing in één of meer van de stemdistricten ongeldig wordt verklaard. De raad kan dan wel besluiten over de toelating van de leden wier stukken wel op tijd zijn ontvangen respectievelijk op wier verkiezing de onjuistheid van de uitslag of ongeldigheid van de stemming geen invloed kan hebben gehad. (Zie ook artikel V 5 Kieswet.) Mocht onverhoopt op de achtste dag na de stemming toch niet ten minste de helft van de nieuwe leden zijn toegelaten, dan houdt de oude gemeenteraad zitting totdat dit wel het geval is (artikel V 15, eerste lid, van de Kieswet).

5 Installatie nieuwe raad

Zoals ter sprake vangt de zittingsperiode van de nieuwe raad aan op de achtste dag na de stemming. Op deze dag dient ook de eerste vergadering van de raad plaats te vinden. In deze vergadering dienen de nieuwe leden de eed of verklaring en belofte af te leggen. Met ingang van dat moment nemen de feitelijke werkzaamheden als raadslid een aanvang.

6 Geen beroep meer mogelijk tegen toelatingsbeslissing

De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot toelating als lid van de raad komt te vervallen. De schrapping van de beroepsmogelijkheid is het gevolg van de verkorting van de termijn tussen stemming en eerste samenkomst van de nieuwe raad tot acht dagen. Bij handhaving van de beroepsmogelijkheid zou een langere termijn moeten gelden tussen stemming en eerste samenkomst van de nieuwe raad. In dat geval zouden de nieuwe raadsleden immers pas geïnstalleerd kunnen worden nadat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, nadat het beroep is afgewikkeld.

10.3 Benoeming wethouders en aftreden zittende wethouders
Benoeming wethouders

In zijn eerste vergadering op 14 maart 2002 kan de nieuwe raad overgaan tot benoeming van de nieuwe wethouders. Het is echter niet meer voorgeschreven dat de raad in zijn eerste vergadering de nieuwe wethouders benoemt. Niet aannemelijk is ook dat veel gemeenteraden in staat zullen zijn op zo'n korte termijn de collegevorming rond te hebben. De Wet dualisering gemeentebestuur bevat ook geen termijn waarbinnen de collegevorming dient plaats te vinden. De oude wethouders blijven in functie (demissionair), totdat de nieuwe raad ten minste de helft van het aantal nieuwe wethouders heeft benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen. Dit kan drie weken na de eerste samenkomst van de raad zijn, maar in theorie ook drie maanden of meer. Uiteraard blijft het ook in de nieuwe situatie van belang, dat de collegevorming binnen een afzienbare termijn plaatsvindt. Bij een lange formatieduur is het in ieder geval wel aan te raden dat raadsvergaderingen worden gepland om de bestuurlijke continuïteit te waarborgen.

Net als voorheen bepaalt de raad het aantal wethouders dat hij wil benoemen. De grenzen van dat aantal zijn bepaald in artikel 36 van de Gemeentewet.

Demissionaire status van het oude college

In de periode tussen de eerste samenkomst van de nieuwe raad en het moment van aftreden van het zittende college, heeft dit college een demissionaire status. Het oude college en de nieuwe raad moeten gezamenlijk beslissen welke zaken in die periode kunnen worden afgehandeld en welke beter kunnen wachten tot het nieuwe college aantreedt.

Hiervoor is al aangegeven dat de onverenigbaarheid van het raadslidmaatschap en het wethouderschap tot de kern van de dualisering hoort. Er zijn twee uitzonderingen op deze regel.

De periode tussen de stemming voor de raadsverkiezing en het tijdstip van aftreden van het zittende college. Een demissionaire wethouder mag wel raadslid zijn. Het is immers goed mogelijk dat wethouders als raadslid gekandideerd en gekozen worden bij de raadsverkiezingen. Het is wenselijk dat zij dan ook tijdelijk het raadslidmaatschap kunnen uitoefenen, zonder het wethouderschap te hoeven opgeven. Zonder dit zou de kans dat er tijdelijk in het geheel geen wethouders zijn erg groot worden.

De periode tussen benoeming als wethouder en de benoeming van de opvolger in de raad. Als de wethouder uit de raad komt en zijn raadslidmaatschap op moet geven omdat hij wethouder wordt kan hij raadslid blijven totdat zijn opvolger onherroepelijk is toegelaten tot de raad. Dit voorkomt mogelijk problemen die zouden kunnen voortvloeien uit het feit dat de raadsmeerderheid door het uittreden van wethouders gedurende die periode minderheid wordt.

De wethouders die uit de raad worden gekozen, houden van rechtswege op raadslid te zijn (artikel X 1 Kieswet). Normaliter dient een raadslid de raad ervan op de hoogte te stellen dat hij een onverenigbare functie gaat vervullen (zoals het wethouderschap) (artikel X 5 Kieswet). Een redelijke wetsuitleg is hier echter dat dit onnodig is omdat de raad immers zelf de wethouder benoemt. Eventueel kan volstaan een expliciete mededeling worden gedaan in de raadsvergadering. Het centraal stembureau zal vervolgens een opvolger in de raad moeten benoemen. Voor alle duidelijkheid: al met ingang van de raadsperiode die ingaat op 14 maart 2002 geldt het uitgangspunt van een demissionair college. De nu zittende wethouders kunnen dus na de verkiezing in 2002 tijdelijk wethouder blijven.

10.4 Herindelingsgemeenten
In diverse gemeenten worden in het voorjaar van 2002 geen gemeenteraadsverkiezingen gehouden in verband met gemeentelijke herindeling per 1 januari 2001, 2002 of 2003. Voor die gemeenten treedt de wet in principe in werking per 1 januari 2003. De gemeenten met een herindelingsdatum van 1 januari 2001 of 1 januari 2002 kunnen er echter voor kiezen de wet per 7 maart 2002 in werking te laten treden. Daarover hebben deze gemeenten inmiddels een brief ontvangen.

Voor gemeenten met een herindelingsdatum van 1 januari 2001 of 2002, betekent dit dat de nieuwe wet in de loop van een zittingsperiode van de raad ingevoerd moet worden. Voor de praktijk betekent dit dat de wethouders van rechtswege niet langer raadslid zijn (artikel X 1 Kieswet). In de daardoor ontstane raadsvacatures moet worden voorzien op de gebruikelijke in hoofdstuk W van de Kieswet geregelde wijze.

Een wethouder kan er uiteraard ook voor kiezen om ontslag te nemen als wethouder en raadslid te blijven. In dat geval moet hij voor genoemde datum aan de raad meedelen dat hij zijn functie als wethouder neerlegt. In zijn plaats dient dan een nieuwe wethouder te worden benoemd. Deze kan ook van buiten de raad komen.

In gemeenten die per 1 januari 2003 worden heringedeeld en waar eind 2002 raadsverkiezingen worden gehouden, treden de zittende raadsleden af met ingang van 1 januari 2003. De zittingsperiode van de nieuwe raad neemt op deze datum een aanvang. De nieuwe raden benoemen in hun eerste vergadering de wethouders, met inachtneming van de nieuwe regels, die hiervoor zijn omschreven.

de stappen tussen stemming en aantreden van de nieuwe wethouders in schema

1-6 maart * benoemingsbrieven aanmaken voor degenen die waarschijnlijk zullen worden gekozen (met marges)
6 maart Raadsverkiezingen
7 maart inwerkingtreding Wet dualisering gemeentebestuur
8 maart vaststelling uitslag door centraal stembureau
8 - 11 maart benoemingsbrieven uitreiken aan de gekozen leden (artikel V 1, lid 1, Kieswet nieuw)
op of z.s.m. na 8 maart (tot uiterlijk 18 - 21 maart) ** benoemden aanvaarden (of weigeren) benoeming en leveren noodzakelijke stukken in (artikelen V 2 en V 3 Kieswet)
uiterlijk 13 maart beslissing over toelating nieuwe leden (artikel V 12 Kieswet nieuw)
14 maart eerste samenkomst nieuwe raad (artikel 18 Gemeentewet nieuw in samenhang met artikel C 4 Kieswet nieuw)
na 14 maart benoeming wethouders (artikel 37 Gemeentewet nieuw); oude wethouders houden zitting totdat ten minste de helft van het aantal wethouders is benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen (artikel 42 Gemeentewet nieuw)

* alle data zijn in 2002
** Voor de aanvaarding van de benoeming geldt een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag van de kennisgeving.

U bent hier



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)