2.3 Kaderstellen

 2.3.1 Inleiding

In deze eerste dualistische raadsperiode is veel van gedachten gewisseld over de kaderstellende rol van de raad. Deze handreiking is niet de plek om uitgebreid in te gaan op de discussie over de precieze invulling van het 'kaderstellen'. Zie hiervoor bijvoorbeeld de handreiking 'Kaderstellen' van de Vernieuwingsimpuls. Hier volstaat om te constateren dat raadsleden meer geacht worden zelf beleidsuitgangspunten te formuleren en met initiatiefvoorstellen te komen. In die rol hebben ze, meer dan voorheen, behoefte aan deskundige ambtelijke ondersteuning. Twee vormen van ambtelijke ondersteuning komen in deze paragraaf aan de orde. Allereerst is dat de bijdrage die ambtenaren kunnen leveren aan de gedachtevorming bij de raad, door actief mee te denken en mee te praten, bijvoorbeeld bij raadscommissievergaderingen (paragraaf 2.3.2). Als raadsleden daadwerkelijk met 'kaderstellende' initiatieven willen komen, dan hebben zij bij uitstek behoefte aan deskundige en intensieve ondersteuning. Dit komt in paragraaf 2.3.3 aan de orde.

2.3.2 De ambtenaar als 'meedenker'

2.3.2.1 Inleiding

Voor het bevorderen van de kaderstellende rol van de raad is het goed als de betrokken ambtenaren relatief vroeg in het beleidsproces met de raadsleden van gedachten kunnen wisselen. In het bijzonder gaat het er dan om dat de raadsleden goed gebruik kunnen maken van de specialistische kennis van de ambtenaren. De vraag is op welk platform de meedenkfunctie het beste ingevuld kan worden. Dat hangt vooral af van de bestuurscultuur in de verschillende gemeenten. Dit betreft bijvoorbeeld de positie die raadscommissies innemen in het lokale beleidsproces. Zo kiest de ene gemeente er voor ambtenaren zo min mogelijk bij raads(commissie)vergaderingen aanwezig te laten zijn, omdat de aanwezigheid van ambtenaren leidt tot veel detailvragen vanuit de raad, die eigenlijk voorafgaand aan de vergadering gesteld hadden moeten worden. In andere gemeenten wordt de aanwezigheid bij raads(commissie)vergaderingen juist aangemoedigd, omdat dit het politieke gevoel zou ontwikkelen. In ieder geval is er door de veranderde verhoudingen een behoefte aan nieuwe, wat minder formele vormen van informatie-uitwisseling.

2.3.2.2 Voorbeelden

Het is opvallend hoe weinig ambtenaren naar raadscommissievergaderingen gaan! Ze gaan vaak alleen als ze moeten. Aanwezigheid bij de vergaderingen is echter wel de enige manier om erachter te komen wat er speelt in de raad en wat de onderlinge verhoudingen zijn. Ambtenaren moeten hier meer gebruik van maken om de raad (als leek) gemakkelijker te kunnen verleiden tot het aannemen van hun ideeën. Nu de wethouder geen directe invloed meer heeft op de agenda van de raadscommissies, kan hij niet zomaar meer een opmerking in een vergadering maken als het betreffende onderwerp niet op de agenda staat. In plaats daarvan moet hij alles op papier zetten en officiële notities maken. Dit terwijl je vaak veel eenvoudiger en doeltreffender in de vergadering zelf (kort) zou kunnen zeggen wat je te zeggen hebt. Sinds de dualisering zijn ambtenaren zo min mogelijk aanwezig bij raadscommissievergaderingen, om te voorkomen dat raadsleden in de vergadering allerlei vragen aan de ambtenaar gaan stellen. Technische en informatieve vragen moeten zij voor aanvang van de vergadering stellen! Ook moet het debat in de raadscommissie naar een hoger niveau. Wethouders en ambtenaren willen hun ideeën op actievere wijze kunnen vertellen aan de raad. De wethouder geeft al aan dat hij nauwelijks zijn ei kwijt kan, dus voor de ambtenaar geldt dit nog meer. De informatie-uitwisseling moet veel minder formeel.

2.3.2.3 Oplossingen

Veel gemeenten hebben de afgelopen jaren gezocht naar manieren om op meer informele wijze vorm te geven aan informatie-uitwisseling. Dit heeft geleid tot allerlei initiatieven met meer of minder fantasierijke titels, zoals:

  • carrouselavond (Roermond);
  • stadsgesprekken (Haarlem);
  • klankbordgroep en werkconferentie (Hoogeveen);
  • randprogramma en raadsatelier (Enschede);
  • takendiscussie (Haarlem).

Carrouselavond

De carrouselavond is in Roermond geïntroduceerd als oplossing voor de stroom technische vragen die raadsleden over een bepaald onderwerp of voorstel willen stellen. Tijdens de carrouselavond kunnen raadsleden mondeling vragen stellen aan ambtenaren. De ambtenaren zitten per sector in verschillende kamers. De wethouders zitten er wel bij, maar mogen in principe niet meepraten. Het doel is het snel en eenvoudig afhandelen van technische vragen, zodat in de raadsvergadering het politieke debat centraal staat. Dit concept wordt als prettig ervaren, aangezien de informatie-uitwisseling plaatsvindt zonder sterke politieke invalshoek. Het concept zou ook voor andere onderwerpen kunnen worden ingezet, maar hiervoor hebben raadsleden te weinig tijd. Het gewenste doel, het tijdig en afdoende beantwoorden van de stroom technische vragen, wordt nog niet volledig bereikt.

Stadsgesprek

Om de gezamenlijke betrokkenheid bij een nieuw structuurplan te vergroten, werd in Haarlem het gezamenlijke initiatief tot een stadsgesprek genomen: raad en college konden daar met burgers in gesprek gaan. De voorbereiding verliep echter traditioneel: het college en de ambtelijke organisatie deden de beleidsvoorbereiding, met de raad langs de zijlijn. Uiteindelijk leidde het proces niet tot de beoogde vernieuwing. Het kwam niet tot een interactief proces, wat ertoe leidde dat de raad dwars ging liggen. In het vervolg zal de raad het voortouw nemen bij het stadsgesprek en daarbij het college uitnodigen.

Klankbordgroep en werkconferentie

De klankbordgroep in Hoogeveen is een informele groep die van gedachten wisselt (filosofeert) over voorgestelde plannen tussen college en raad. De groep bestaat uit drie raadsleden, de griffier en de gemeentesecretaris. De klankbordgroep kan een werkconferentie organiseren. Deze is niet bedoeld om besluiten te nemen, maar om een verslag te maken van de punten waar de raad tegen aan loopt bij de voorbereiding van een kadernota. De deelnemers zijn raadsleden, de griffie en ambtenaren.

Randprogramma en raadsatelier

Het randprogramma in Enschede is een platform voor het peilen van meningen van raadsleden over voorgenomen beleid of projecten door het college. Het randprogramma fungeert daarmee als het startpunt voor het formele beleidsproces. In het raadsatelier worden door raadsleden initiatieven genomen. Er zijn informele contacten tussen collegeleden, raadsleden en burgers (met een inloopcafé en een zeepkist). Het randprogramma wordt bijvoorbeeld gebruikt voor de discussie over de Wet maatschappelijke ontwikkeling. Na een aarzelend begin nemen het enthousiasme en de deelname van ambtenaren toe.

Takendiscussie

In het kader van een bezuinigingsoperatie in de gemeente Haarlem deden ambtelijke werkgroepen voorstellen voor taakvermindering en doelmatigheid. Het hele beleidsterrein van de gemeente is daarvoor in taken ontleed. De ambtelijke voorstellen zijn tegelijk naar raad en college gegaan. De raad heeft eerst de keuzes bepaald. Het college is vervolgens met een standpunt gekomen. In de daaropvolgende discussie kon de raad aan het eigen standpunt vasthouden of het collegestandpunt overnemen. Zo ontstond er geen informatieachterstand. 'Een uniek project, met een directe communicatie tussen ambtelijke organisatie en raad. Het resultaat was een zeer succesvolle takendiscussie en bezuinigingsoperatie.' Actieve deelname van ambtenaren is belangrijk: het toont de professionaliteit en deskundigheid van de ambtelijke organisatie. Niet meedoen verkleint de invloed van de ambtelijke organisatie en vergroot de afstand tussen de ambtenaren en de raad.

2.3.3 De rol van ambtenaren bij initiatiefvoorstellen

2.3.3.1 Inleiding

Elk individueel raadslid is op grond van de Gemeentewet bevoegd een initiatiefvoorstel in te dienen. Voor ondersteuning bij de uitvoering van zijn taak is de raad in de eerste plaats aangewezen op de griffier en de griffie. Daarnaast kan hij een beroep doen op ondersteuning uit de ambtelijke organisatie. Dit recht is wettelijk geregeld. De ambtelijke organisatie is groter dan de griffie en werkt met meer gespecialiseerde beleidsambtenaren. Daarom is het zeker bij een initiatiefvoorstel (het schrijven waarvan vaak een behoorlijke beleidsinhoudelijke kennis vereist) goed om een beroep te doen op ondersteuning uit de ambtelijke organisatie. Onder de oude Gemeentewet zagen de raadsvoorstellen er in veel gemeenten hetzelfde uit als de collegestukken. In de nieuwe bestuurlijke verhoudingen, met de kaderstellende rol van de raad, past dat niet meer. Er worden nieuwe eisen gesteld aan de inhoud van de stukken en aan de procedures voor het schrijven van stukken. Het gaat steeds om hoofdlijnen, beslispunten en relevantie voor de ontvanger. Ambtenaren moeten zich aanleren al uit de opbouw en formulering van hun stukken te laten blijken of het stuk bedoeld is voor het college en dus uitvoerend is of bedoeld is als kaderstellend stuk voor de raad. Het thema van relevantie voor de ontvanger – en dan gaat het meestal om de raad – komt keer op keer terug.

Omdat zowel raadsleden als wethouders een beroep kunnen doen op ondersteuning uit de ambtelijke organisatie, kan het zijn dat een ambtenaar ten aanzien van hetzelfde onderwerp twee tegengestelde visies moet verwoorden. Anders gezegd: hij schrijft voor de raad een initiatiefvoorstel, terwijl hij weet dat het college dit voorstel niet zal steunen. Hierdoor kan voor de ambtenaar een loyaliteitsprobleem ontstaan. Hij is immers in de eerste plaats in dienst van het college en het college is zijn formele werkgever. Ondersteunt hij nu toch de raad bij plannen die het college niet wenselijk acht? Wat vertelt hij over zijn werk voor de raad aan zijn leidinggevende? Geheimhouding is juridisch onmogelijk; openheid zal door de raad niet worden gewaardeerd. En bovendien: hoe kan de ambtenaar twee tegengestelde visies verwoorden? Als gevolg van het feit dat de raad recht heeft op ambtelijke ondersteuning, kan het zijn dat ambtenaren soms tijdelijk werken voor de raad aan een initiatiefvoorstel dat afwijkend is van de mening van het college. Bij werkgroepen en in commissievergaderingen kan ambtelijke ondersteuning van de wethouder noodzakelijk zijn. Ambtenaren kunnen ook hier geconfronteerd worden met dilemma's: informeren zij de raadsleden volledig, ook als dat hun wethouder wellicht in politieke problemen brengt? In grotere gemeenten probeert men te voorkomen dat ambtenaren in deze lastige situatie terechtkomen, door te vermijden dat dezelfde ambtenaar aan voorstellen voor college en raad werkt. Dit is echter niet in elke gemeente mogelijk: zoveel specialisten zijn er immers niet voorhanden binnen kleinere gemeenten.

2.3.3.2 Voorbeelden

 

Vroeger gingen dossiers met interne aantekeningen naar de raad, zelfs met persoonlijke opmerkingen van de wethouder. Nu zijn het opgeschoonde dossiers met veel minder detailinformatie. Er worden rapporten aan de raad gepresenteerd vol met tabellen en cijfers. Dat is niet zinvol: je moet vooral de belangrijkste informatie op heldere wijze aan de raad voorleggen en niet alles willen opschrijven: het gaat om de kunst van het weglaten. Niet om te verdoezelen, maar om de hoofdlijnen naar voren te halen. De nieuwe bestuurlijke verhoudingen kunnen bij de ambtelijke stukken beginnen! De vormgeving van de raadsstukken is in onze gemeente niet anders dan de vormgeving van collegestukken. De raad krijgt veel details. Dit wordt ook niet als negatief ervaren. Nuttige details zijn goed voor het politieke gevoel. Daarom kiest onze gemeente er ook voor om zoveel mogelijk alle informatie door te sturen naar de raad. Het collegebesluit met parafen, vergezeld van alle bijlagen, wordt vaak naar de raad gestuurd ter informatie. Hier zitten echter veel stukken bij die volstrekt niet relevant zijn voor de raad. Dit is onverstandig. Je moet je steeds afvragen: Wie spreek ik nu aan? Wat wil ik diegene vertellen? Ambtenaren sturen naar de raad exact dezelfde voorstellen die zij ook voor het college hebben gemaakt, zonder enige aanpassing, want 'zo gaat het al dertig jaar'. De kwaliteit van de stukken voor de raad wisselt nogal. Soms ontbreekt relevante informatie, is niet duidelijk waar het stuk zich bevindt in het besluitvormings- of beleidsproces of ontbreekt een goede uitwerking van de keuzes voor de raad. We moeten de raad wat te kiezen geven!


Een beleidsambtenaar schrijft een collegevoorstel met betrekking tot de aanleg van een zwembad en werkt dit helemaal uit. Een raadsfractie wil vervolgens ten aanzien van hetzelfde onderwerp een ander voorstel indienen en heeft zelf niet de beschikking over beleidsambtenaren om dit te schrijven. De raadsfractie komt bij dezelfde ambtenaar terecht, aangezien die de specialist op dat onderwerp is, en vraagt de ambtenaar om een voorstel te schrijven waarin gepleit wordt voor de uitbreiding van de sportvelden, maar waarin de aanleg van een zwembad als niet wenselijk wordt afgedaan. Het betreft hier een visie over hetzelfde onderwerp die 180 graden anders is. Er is vanuit de raad een werkgroep Integratie Allochtonen opgericht. Deze doet een verzoek om ambtelijke bijstand. De ambtenaren hebben meer informatie nodig om te bepalen wat er moet gebeuren, bijvoorbeeld wat voor bijstand, op welk niveau, voor hoeveel uren? De griffier stelt namens de raad een verzoek op en legt dit voor aan de gemeentesecretaris. Dit verzoek betreft slechts een globale indicatie van de te verwachten tijdsbesteding. De gemeentesecretaris verlangt echter zeer concrete en duidelijke verzoeken inzake tijd en budget.

De ambtenaar dient deskundig en onafhankelijk te zijn. Er wordt van de ambtenaar bij zijn werk een hoog abstractieniveau geëist. Bij de geboden ondersteuning door de ambtelijke organisatie moet voor ogen worden gehouden dat de ambtenaar slechts verantwoordelijk is voor de kwaliteit daarvan en niet voor de politieke inhoud van zijn advies. Het onderstaande voorbeeld verduidelijkt dit.

De raad is voorstander van een structurele subsidiëring van een welzijnsorganisatie die actief is in het centrum van de gemeente en vraagt een ambtenaar dit uit te werken. De ambtenaar moet naar beste kunnen een kwalitatief goed advies hierover schrijven. Dit betekent echter niet dat hij persoonlijk ook deze structurele subsidie wil.

Wanneer de ambtenaar een stuk voor raadsleden schrijft, is hij dus naar de raad toe verantwoordelijk voor de kwaliteit van het stuk. Ook de gemeentesecretaris is als hoofd van de ambtelijke organisatie verantwoordelijk voor de kwaliteit van het werk dat de ambtenaren leveren bij hun ondersteuning naar de raad. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit ligt bij de wethouder in wiens portefeuille de werkzaamheden van de ambtenaar vallen. De raadsleden die de ambtenaar hebben verzocht het stuk te schrijven, dragen de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor het stuk.

In (vaak kleinere) gemeenten kan het voorkomen dat in het kader van efficiency de functie van raadscommissiegriffier wordt vervuld door één persoon die tevens de functie van (beleids)ambtenaar vervult. Deze persoon heeft als het ware een dubbelfunctie: (beleids)ambtenaar en raadscommissiegriffier. Hij kan door zijn dubbelfunctie geconfronteerd worden met een loyaliteitsprobleem. Het navolgende voorbeeld illustreert dat duidelijk.

De raad wil dat er geld wordt vrijgemaakt voor de renovatie van de kathedraal en vraagt een raadscommissiegriffier, die tevens beleidsambtenaar en specialist op dat gebied is, om hierover een initiatiefvoorstel te schrijven. Het college is vervolgens aan het bezuinigen en is het volstrekt niet met het voorstel van de raad eens. De wethouder krijgt er lucht van dat een van zijn ambtenaren het stuk aan het schrijven is en geeft hem andere opdrachten, zodat hij geen tijd meer heeft om aan het 'slechte' voorstel te schrijven. Het probleem in deze situatie is dat zowel raad als college opdrachtgever is. Er wordt van twee kanten aan de beleidsambtenaar/raadscommissiegriffier getrokken. Hij is geneigd loyaal te zijn richting wethouder, omdat die zijn werkgever is en dus bepaalt of hij in dienst blijft.

Gezien het bovenstaande loyaliteitsprobleem is een adequate scheiding tussen de functie van raadscommissiegriffier en ambtenaar zeer wenselijk. Overigens blijkt uit de praktijk dat een dubbelfunctie van raadscommissiegriffier gecombineerd met beleidsambtenaar in bepaalde gemeenten wel werkt. Van groot belang is dan dat de betreffende persoon zich bewust is van zijn 'dubbelrol' en dat raad en college proberen de persoon niet in een spagaat te brengen. In ieder geval is een heldere afbakening van taken en verantwoordelijkheden nodig die herkenbaar is voor alle actoren.

Een raadsfractie had een vraag met betrekking tot een investering in een cultureel centrum. De ambtenaar die dit onderwerp in zijn takenpakket had, was gevraagd één en ander na te rekenen, waarna de uitkomsten naar de raadsfractie moesten. Terwijl de ambtenaar zijn huiswerk nog moest inleveren bij de raadsfractie, gaf de wethouder er al een persconferentie over en kraakte het alternatief af. De ambtenaar bleek de informatie verstrekt te hebben aan de wethouder, voordat de raadsleden de informatie hadden gekregen. Als gevolg van deze problematiek dienen duidelijke en strakke regels te worden gesteld in de vorm van procesafspraken over de communicatie.

Op grond van bovenstaand voorbeeld blijkt duidelijk dat het niet altijd wenselijk is de wethouder, dan wel een direct leidinggevende, inhoudelijk te informeren. Inhoudelijk is de raad verantwoordelijk. De direct leidinggevende kan enkel verantwoording verlangen qua kwaliteit en qua adequaatheid van ondersteuning. In sommige gemeenten is ter voorkoming van loyaliteitsproblemen vastgelegd dat als de wethouder informatie wenst over de inhoud van de vragen hij bij het desbetreffende raadslid moet zijn en niet bij de ambtenaar.

2.3.3.3 Oplossingen

Keuzes, alternatieven, scenario's

Uiteindelijk zal de vorm en inhoud van stukken voor de raad bepaald worden door de wensen van de raad. Ongeacht de precieze vorm vereist de kaderstellende rol van de raad dat er reële keuzes worden geboden. Dat wordt in veel gemeenten onderkend. In verschillende gemeenten wordt ook met scenario's en alternatieven geëxperimenteerd – of wordt daar in ieder geval serieus over nagedacht. Het scenariomodel moet in de praktijk nog verder worden ontwikkeld en brengt ook een aantal risico's met zich mee. Wordt er te weinig informatie meegegeven, dan zal de raad meer willen weten over de mogelijke ontwikkelingen. Ook moeten er geen alternatieven of scenario's worden opgenomen 'omdat dat nu eenmaal zo hoort'. Het moet om reële alternatieven gaan.

Schrijven als proces

Misschien belangrijker dan de inhoud van de stukken, al dan niet voorzien van alternatieven, is het proces: ambtenaren moeten eerst nadenken over het proces en dan pas over de inhoud. Het proces kan aan het begin worden vastgelegd. Daarna kan aan de inhoud worden gewerkt. Daarbij is het van belang te bepalen op welk moment raad en college in het beleidsproces worden betrokken. Wellicht is er behoefte aan een startnotitie of informatiememorandum, voordat wordt begonnen aan de redactie van het raadsvoorstel. Hierover zal vooraf duidelijkheid moeten komen.

De plannen om stukken voor te leggen aan de raad die bij zijn nieuwe rol passen, staan in veel gemeenten nog in de kinderschoenen.

Formats voor raadsstukken

Eén van de manieren om tot betere stukken te komen is het ontwikkelen en gebruiken van nieuwe formats. Die moeten ambtenaren helpen hun stukken meer toe te schrijven naar een raadsstuk: op hoofdlijnen, met probleemstelling, doelstelling, verwijzing naar de programmabegroting, juridisch kader, resultaten van interactie met derden, vervolgstappen in het proces en financiële kaders. Stukken voor de raad kunnen worden opgezet volgens een vast stramien, en worden voorzien van vooraf geplande evaluatie- of verantwoordingsmomenten met indicatoren of criteria, aan de hand waarvan een evaluatie kan worden uitgevoerd. Raadsvoorstellen zullen hierdoor duidelijker verschillen van collegestukken. Teksten kunnen korter worden: de bijzaken worden opgenomen in een bijlage, ter inzage gelegd of zijn via het raadsinformatiesysteem toegankelijk.

In één gemeente werkt men aan een ICT-aanpassing, waarbij ambtenaren bij het schrijven van voorstellen worden gedwongen om bepaalde stappen in een computerprogramma te doorlopen. Dit dwingt hen in een gedachteschema.

Helpteksten zullen het werk in de toekomst verder kunnen vergemakkelijken.

Er is, naast waardering, ook wel kritiek op de praktische bruikbaarheid van formats:

'Veel ambtenaren kunnen niet met het format uit de voeten. De bijlage wordt dan als escape gebruikt om het voorstel toch zeer uitgebreid te kunnen verwoorden.'

Formats blijven een nuttig hulpmiddel. Het doel (het op de juiste manier overdragen van de juiste informatie) behoudt de hoogste prioriteit. Formats kunnen helpen om een deel van het schrijf- en denkwerk te stroomlijnen, maar het blijft nodig om na te denken over de inhoud en de vorm van de boodschap en de vraag wat zinvol is voor de ontvanger.

Cursussen

Veel gemeenten organiseren workshops en trainingen over het schrijven van stukken, zoals Schrijven met visie (Helmond), Hoe schrijf ik een nota? (Haarlem) of Duaal schrijven voor beleidsambtenaren (Zeist). Het gaat er steeds om dat ambtenaren leren nadenken over het doel en de ontvanger en een stuk kunnen leveren waarmee raadsleden snel overzicht krijgen over de beslispunten en inzichten in het proces.

Meer stukken, meer varianten, meer werk?

Als ambtenaren zelfstandige stukken voor de raad moeten schrijven, dreigt dubbel werk, met een verhoging van de werklast. De nieuwe verhoudingen zorgen in deze opvatting voor een vermindering van de efficiëntie en een toename van de bureaucratie.

'De werklast voor ambtenaren is omhoog gegaan, vooral omdat er een verschil moet worden gemaakt in college- en raadsvoorstellen en omdat het schrijven van duale raadsvoorstellen een vaardigheid vraagt die men zich nog niet eigen heeft gemaakt.'

Dit probleem blijkt in de praktijk echter mee te vallen. Zo helpt het als de raadsnota tegelijk met de collegenota wordt opgesteld en eventueel naar aanleiding van de behandeling door het college wordt aangepast. Ook in een effectief gebruik van verschillende formats voor college en raad ligt een oplossing. Bovendien is de ambtenaar na het schrijven van een collegestuk goed in de materie ingevoerd en kan hij het best direct een brief of een nota voor de raad maken. Het kost namelijk uiteindelijk veel meer tijd als de raad dezelfde gedetailleerde informatie ontvangt als het college en de ambtenaar enkele maanden later allerlei detailvragen van raadsleden moet beantwoorden en dan alles nog eens moet terugzoeken in de stukken. Het gegeven dat stukken voor de raad een andere invalshoek hebben dan stukken voor het college, impliceert dat schrijven voor het college ook specifieke vaardigheden vergt. In de praktijk wordt dit minder als een probleem ervaren, omdat er sprake lijkt van een minder grote verschillen ten opzichte van de situatie voor de introductie van het dualisme. Dat neemt niet weg dat het goed is om bij aanvang van het opstellen van een collegestuk stil te staan bij specifieke vereisten die dat vergt.

Onderscheid tussen kwaliteit en inhoud

De ambtenaar moet beseffen dat hij niet verantwoordelijk is voor de inhoud van de stukken die hij schrijft. Die verantwoordelijkheid ligt immers bij de opdrachtgever: raad of college. Het is aan de ambtenaar om zorg te dragen voor een goede kwaliteit van het werk dat hij verricht. Wanneer hij zijn taak naar behoren vervult, hoeft hij zich niet te laten belemmeren door de onderlinge verhoudingen tussen raad en college. De inhoudelijke verschillen van mening tussen raad en college moeten immers in het politieke debat worden uitgevochten!

Scheiding tussen raadscommissiegriffiers en vakdienst

Er kan bewust voor een scheiding tussen raadscommissiegriffiers en vakdienst worden gekozen. Het doel is tweeledig:

1 het voorkomen van loyaliteitsdilemma's die in potentie aanwezig zijn;
2 bescherming van de positie van de ambtenaar als onafhankelijk adviseur.

Hieraan wordt veel waarde gehecht: hij kan niet twee tegenovergestelde stukken schrijven.
Het voordeel overigens van een dubbelfunctie is de te behalen 'efficiency'. Er hoeft over het algemeen niet dan wel minder 'dubbel' te worden gelezen.

U bent hier



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)