2.5 De onderzoekscommissie

Het onderzoek wordt uitgevoerd door een onderzoekscommissie, die uitsluitend uit raadsleden mag bestaan. De leden worden door de raad benoemd. De onderzoekscommissie dient uit minimaal drie leden te bestaan. De raad kan besluiten de wijze van benoeming van leden van de onderzoekscommissie in de verordening met betrekking tot het raadsonderzoek te regelen. Dat is niet verplicht, maar lijkt wel voor de hand te liggen.

Evenwichtige samenstelling onderzoekscommissie
De wet bepaalt ook dat de samenstelling van de onderzoekscommissie evenwichtig dient te zijn [18]. Men kan kiezen voor de constructie, waarbij alle fracties in de onderzoekscommissie kunnen plaatsnemen of waarbij bijvoorbeeld de grote fracties in de onderzoekscommissie plaatsnemen en een vertegenwoordiger van een oppositiepartij als voorzitter wordt gekozen. Ook een andere samenstelling is echter mogelijk.Het oogmerk van deze bepaling is om een zekere spreiding van de onderzoekscommissiezetels over de raadsfracties te bewerkstelligen

Wat evenwichtigheid in de praktijk inhoudt, moet door de raad zelf worden geconcretiseerd. De norm van evenwichtigheid weegt voor een onderzoekscommissie niet zwaarder dan voor een 'reguliere' raadscommissie. Een onderzoekscommissie bestaande uit alle raadsleden is overigens onverenigbaar met de wet [19].

Het besluit tot benoemen van de leden is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat dit besluit eveneens openbaar moet worden gemaakt [20]. Tegen dit besluit staat echter geen bezwaar en beroep op de bestuursrechter open [21].

Drie leden vereist voor uitoefening bevoegdheden
De onderzoekscommissie mag haar wettelijke bevoegdheden alleen uitoefenen indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn. Een commissielid kan dus niet alleen of samen met één ander lid optreden. Dit geldt overigens niet voor bevoegdheden die niet in de wet zijn geregeld. Zo zouden bijvoorbeeld twee leden van de onderzoekscommissie samen een verhoor kunnen voorbereiden met een (potentiële) getuige.

Einde raadsperiode / aantreden nieuwe raad
Als het raadsonderzoek nog niet is afgerond op het moment dat de zittingsperiode van de raad die tot het onderzoek heeft besloten is verstreken, heeft dit in principe geen gevolgen voor het onderzoek. Als de raad is afgetreden wordt het onderzoek in beginsel voortgezet door dezelfde leden van onderzoekscommissie als bij de instelling, mits deze uiteraard ook in de nieuwe raad zijn herkozen [22]. Het is dus niet zo dat een ex-raadslid deel mag blijven uitmaken van een onderzoekscommissie. De wet bepaalt immers uitdrukkelijk dat alleen raadsleden lid van de onderzoekscommissie mogen zijn.

De nieuwe raad kan vanzelfsprekend wel besluiten om het onderzoek tussentijds te stoppen. Daarnaast geldt dat de nieuwe raad wijziging kan aanbrengen in de samenstelling van de onderzoekscommissie of de onderzoeksvraag. Doet de nieuwe raad niets, dan kan het onderzoek echter gewoon doorgang vinden.

Bestuursorgaan
De onderzoekscommissie is een bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet openbaarheid van bestuur. Dit betekent onder meer dat tegen besluiten van de onderzoekscommissie voor belanghebbenden bezwaar en beroep op de bestuursrechter openstaat, tenzij dit expliciet is uitgesloten. De onderzoekscommissie is daarnaast verplicht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur om desgevraagd informatie te verstrekken. Alleen als de onderzoekscommissie zich op een uitzonderings- of beperkingsgrond kan beroepen, is dit niet verplicht. Paragraaf 5.3 zal hier nader opingaan.

[18] Deze vereiste vloeit voort uit artikel 155a, lid 4 jo. 82, lid 3. Artikel 82, lid 3 bepaalt dat bij de samenstelling van een raadscommissie de raad, voor zover het de benoeming betreft van leden van de raad voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen zorgt.
[19] Kamerstukken I, 2001-2002, 27 751, nr. 10b, blz. 29.
[20] Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.
[21] Artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht.
[22] Artikel 155a, lid 6, Gemeentewet.

U bent hier



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)