3.2 De rekenkamer en de rekenkamercommissie

Zoals tabel 3.1 laat zien is er voor de lokale rekenkamer veel geregeld in de Gemeentewet. De wet geeft in feite een uitgewerkt model. De raad behoeft bij een rekenkamer eigenlijk alleen te beslissen over een eenhoofdige of een collegiale leiding en daarnaast natuurlijk over de benoeming van de leden, de middelen, de ambtelijke ondersteuning en dergelijke.

De invulling van de lokale rekenkamerfunctie is grotendeels vrij. De raad heeft meer dan bij de rekenkamer mogelijkheden zaken zelf te regelen en aan te passen aan de eigen situatie. De gekozen invulling moet echter wel waarborgen dat de taak genoemd in artikel 182 van de Gemeentewet wordt uitgevoerd en dat voorwaarden worden geschapen waardoor deze taak met de vereiste onafhankelijkheid, deskundigheid en met gezag kan worden uitgevoerd. De onafhankelijkheid is daarbij een cruciale factor. Veel bepalingen in de Gemeentewet voor de rekenkamer zijn namelijk gericht op het waarborgen van de onafhankelijkheid. De rekenkamercommissie kan alleen dan een verantwoord alternatief zijn voor de rekenkamer indien de onafhankelijkheid in voldoende mate is verzekerd.

De criteria voor de onafhankelijkheid van de rekenkamer en de rekenkamercommissie die van belang zijn, zijn de volgende:

  • vrije keuze van de onderzoeksonderwerpen;
  • vrijheid bij de wijze en uitvoering van onderzoek;
  • vrijheid van publiceren;
  • toegang tot relevante informatie;
  • wijze van benoeming en ontslag van de leden van de rekenkamer die politieke beïnvloeding uitsluit;
  • voldoende financiële middelen;
  • voldoende ambtelijke ondersteuning waarbij deze ambtenaren niet onder de ambtelijke hiërarchie van het college vallen;
  • benoemen van onverenigbare betrekkingen.

Bij de rekenkamer is de onafhankelijkheid wettelijk bepaald en voor de rekenkamercommissie kan en moet de raad de mate van onafhankelijkheid zelf bepalen en invullen.

De rekenkamerfunctie kan door één persoon worden uitgeoefend. Als een gemeente kiest voor meerdere personen – hetgeen alleszins voor de hand ligt - is een commissie de meest aangewezen manier. De raad kiest in dat geval bij de invulling van de rekenkamerfunctie voor een commissie zoals bedoeld in artikel 84 Gemeentewet, die dan de "rekenkamercommissie" genoemd kan worden.

Box 3.3

Artikel 84
  1. De raad, het college of de burgemeester kan andere commissies dan bedoeld in de artikelen 82, eerste lid, en 83, eerste lid, instellen.
  2. Artikel 83, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een andere commissie, met uitzondering van een commissie die is ingesteld om te adviseren over de beslissing op ingediende bezwaarschriften en een commissie belast met de behandeling van en de advisering over klachten.
  3. De raad, het college onderscheidenlijk de burgemeester regelt ten aanzien van een door hem ingestelde andere commissie de openbaarheid van de vergaderingen.
  4. De artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instelling van een andere commissie.

In zo'n rekenkamercommissiekunnen geen collegeleden zitting hebben. Raadsleden mogen daar zelf wel lid van zijn. Daarnaast mogen ook mensen van buiten de raad lid zijn van de commissie. Ook de voorzitter kan van buiten komen. Mede door de externe leden kunnen rekenkamercommissies de deskundigheid hebben die vereist is voor de onderzoeken.

U bent hier



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)