Facebook     

3. Bestuursbevoegdheden in de Gemeentewet

10-10-2005

In het oude stelsel, zoals dat tot 7 maart 2002 bestond, lagen de gemeentelijke bestuursbevoegdheden zoals gezegd in principe bij de raad. In veel gemeenten was het echter al gebruikelijk dat de raad het grootste deel van de bestuursbevoegdheden had gedelegeerd aan het college. Formeel lag de bevoegdheid bij de raad en de raad kon te allen tijde besluiten een delegatiebesluit in te trekken en de bevoegdheden weer aan zich te trekken. Zeker in de kleinere gemeenten was het overigens niet ongebruikelijk dat de raad een groot aantal bestuursbevoegdheden ook daadwerkelijk zelf uitoefende.

De Wet dualisering gemeentebestuur, die op 7 maart 2002 in werking is getreden, heeft ertoe geleid dat de meeste in de Gemeentewet opgenomen bestuursbevoegdheden zijn verschoven van de raad naar het college. De belangrijkste van deze bestuursbevoegdheden van het college zijn opgenomen in artikel 160 van de Gemeentewet.

Het college heeft nu onder andere de volgende bevoegdheden:

  1. Het vaststellen van regels over de ambtelijke organisatie van de gemeente. De ambtelijke organisatie werkt in principe aan de uitvoering van het gemeentelijk beleid. Het college als uitvoerend orgaan is hiervoor verantwoordelijk en het college is dan ook logischerwijze bevoegd de organisatie ter hand te nemen. Uitzondering is de raadsgriffie. Over de organisatie van de griffie, die voor de raad werkt, stelt de raad zelf regels vast.
  2. Het benoemen, schorsen en ontslaan van ambtenaren, met uitzondering van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren en de accountant die in dienst is van de gemeente. Dit betekent dat het college bevoegd gezag wordt over de "gewone" ambtelijke organisatie.
  3. Het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het sluiten van contracten voor de verkoop van onroerend goed van de gemeente, grondtransacties, een contract voor de aankoop van nieuwe computers voor de ambtelijke organisatie en dergelijke. Ook de bevoegdheid van het college om te besluiten tot oprichting van en deelneming in allerlei privaatrechtelijke rechtspersonen (stichtingen, vennootschappen, e.d.) vloeit voort uit de bevoegdheid privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en daartoe te besluiten.
  4. Besluiten tot het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures namens de gemeente of het gemeentebestuur, of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten.
  5. Het voorbereiden van de civiele verdediging. De civiele verdediging betreft het geheel van niet-militaire maatregelen, gericht op de voortzetting van het bestuur en de instandhouding van het maatschappelijk en economisch leven onder buitengewone omstandigheden, zoals grote rampen en oorlog.
  6. Het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen.

Over de uitoefening van de onder 3 tot en met 6 genoemde bevoegdheden moet het college vooraf inlichtingen aan de raad verstrekken, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen.

Voor een gedeelte van de onder 3 genoemde bevoegdheden geldt een eigen, enigszins afwijkende regeling. Het college mag namelijk de bevoegdheid om te besluiten tot oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen alleen uitoefenen nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en de raad zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen. Het verschil met de regeling voor de overige onder 3 tot en met 6 genoemde bevoegdheden is dat een besluit tot oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen in alle gevallen eerst aan de raad voorgelegd moet worden en niet alleen indien de raad om inlichtingen verzoekt of de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente.

Het college is dus wel het bevoegde orgaan, maar de raad behoudt ten aanzien van een aantal belangrijke bevoegdheden wel invloed vooraf. Deze regeling garandeert bovendien dat het college de uitoefening van deze bevoegdheden niet buiten het gezichtsveld van de raad houdt. Dit vergemakkelijkt de politieke controle door de raad. Overigens is het college over de uitoefening van al zijn bevoegdheden verplicht om de raad alle inlichtingen te verstrekken, die de raad voor de uitoefening van zijn functie nodig heeft (actieve informatieplicht).

De overheveling van deze bestuursbevoegdheden is op 7 maart 2002 van kracht geworden. Dit betekent dat de raad eventuele delegatiebesluiten, waarin gemeentewettelijke bestuursbevoegdheden geheel of gedeeltelijk aan het college zijn overgedragen, moet intrekken.

Er moet een stichting komen die een cultureel festival zal organiseren in de gemeente. Een besluit tot oprichting wordt genomen door het college op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel e. In het verleden betrof het een raadsbevoegdheid. Overigens dient het college de raad in dit geval op grond van artikel 160, tweede lid, vooraf het ontwerpbesluit toe te zenden, zodat deze zijn wensen of bedenkingen tegen het voorgenomen collegebesluit nog kenbaar kan maken. De beslissingsbevoegdheid ligt uiteindelijk echter bij het college, de uitvoeringshandeling wordt verricht door de burgemeester. Dat betekent dat het college, ook indien het voorstel geformuleerd is volgens de wensen van de raad, zelf de volledige verantwoordelijkheid voor het besluit draagt. Het gaat immers om een collegebesluit en niet om een raadsbesluit.