In het oude stelsel, zoals dat tot 7 maart 2002 bestond, lagen de gemeentelijke bestuursbevoegdheden zoals gezegd in principe bij de raad. In veel gemeenten was het echter al gebruikelijk dat de raad het grootste deel van de bestuursbevoegdheden had gedelegeerd aan het college. Formeel lag de bevoegdheid bij de raad en de raad kon te allen tijde besluiten een delegatiebesluit in te trekken en de bevoegdheden weer aan zich te trekken. Zeker in de kleinere gemeenten was het overigens niet ongebruikelijk dat de raad een groot aantal bestuursbevoegdheden ook daadwerkelijk zelf uitoefende.
De Wet dualisering gemeentebestuur, die op 7 maart 2002 in werking is getreden, heeft ertoe geleid dat de meeste in de Gemeentewet opgenomen bestuursbevoegdheden zijn verschoven van de raad naar het college. De belangrijkste van deze bestuursbevoegdheden van het college zijn opgenomen in artikel 160 van de Gemeentewet.
Het college heeft nu onder andere de volgende bevoegdheden:
Over de uitoefening van de onder 3 tot en met 6 genoemde bevoegdheden moet het college vooraf inlichtingen aan de raad verstrekken, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen.
Voor een gedeelte van de onder 3 genoemde bevoegdheden geldt een eigen, enigszins afwijkende regeling. Het college mag namelijk de bevoegdheid om te besluiten tot oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen alleen uitoefenen nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en de raad zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen. Het verschil met de regeling voor de overige onder 3 tot en met 6 genoemde bevoegdheden is dat een besluit tot oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen in alle gevallen eerst aan de raad voorgelegd moet worden en niet alleen indien de raad om inlichtingen verzoekt of de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente.
Het college is dus wel het bevoegde orgaan, maar de raad behoudt ten aanzien van een aantal belangrijke bevoegdheden wel invloed vooraf. Deze regeling garandeert bovendien dat het college de uitoefening van deze bevoegdheden niet buiten het gezichtsveld van de raad houdt. Dit vergemakkelijkt de politieke controle door de raad. Overigens is het college over de uitoefening van al zijn bevoegdheden verplicht om de raad alle inlichtingen te verstrekken, die de raad voor de uitoefening van zijn functie nodig heeft (actieve informatieplicht).
De overheveling van deze bestuursbevoegdheden is op 7 maart 2002 van kracht geworden. Dit betekent dat de raad eventuele delegatiebesluiten, waarin gemeentewettelijke bestuursbevoegdheden geheel of gedeeltelijk aan het college zijn overgedragen, moet intrekken.
Er moet een stichting komen die een cultureel festival zal organiseren in de gemeente. Een besluit tot oprichting wordt genomen door het college op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel e. In het verleden betrof het een raadsbevoegdheid. Overigens dient het college de raad in dit geval op grond van artikel 160, tweede lid, vooraf het ontwerpbesluit toe te zenden, zodat deze zijn wensen of bedenkingen tegen het voorgenomen collegebesluit nog kenbaar kan maken. De beslissingsbevoegdheid ligt uiteindelijk echter bij het college, de uitvoeringshandeling wordt verricht door de burgemeester. Dat betekent dat het college, ook indien het voorstel geformuleerd is volgens de wensen van de raad, zelf de volledige verantwoordelijkheid voor het besluit draagt. Het gaat immers om een collegebesluit en niet om een raadsbesluit.



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)