3. Ontvlechting raadslidmaatschap en wethouderschap

3. Ontvlechting raadslidmaatschap en wethouderschap

  • 3.1 Algemeen
  • 3.2 Wethouders mogen niet langer tegelijkertijd raadslid zijn
  • 3.3 De wethouder van buiten de raad
  • 3.4 De wethouder van buiten de gemeente
  • 3.5 Wethouders mogen niet langer lid van een raadscommissie zijn

3.1 Algemeen
De ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap is de kern van de dualisering van het gemeentebestuur. Het uit elkaar trekken van beide functies moet namelijk leiden tot een aanzienlijke verduidelijking van de rollen van zowel het raadslid als de wethouder. Deze ontvlechting krijgt op drie manieren gestalte:

  1. door het wethouderschap onverenigbaar te verklaren met het raadslidmaatschap (art.13, eerste lid en 36b, eerste lid);
  2. door het verbod voor wethouders (en de burgemeester) om nog langer lid van raadscommissies te zijn (art. 82, tweede lid);
  3. door het verbod voor collegeleden om lid te zijn van bestuurs- en andere commissies die door de raad zijn ingesteld en omgekeerd (art. 83, tweede lid en 84, tweede lid).

In het verlengde van de ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap zijn er nog enkele andere aspecten die aandacht behoeven. Het gaat dan om de wethouder van buiten de raad, de wethouder van buiten de gemeente en enkele punten die verband houden met een voor deze ontvlechting wenselijke cultuuromslag.

3.2 Wethouders mogen niet langer tegelijkertijd raadslid zijn
Wettelijke voorschriften

De nieuwe regeling is op dit punt glashelder: raadsleden mogen niet langer ook wethouder zijn en omgekeerd (art. 13, eerste lid, 36b, eerste lid). Als een raadslid tot wethouder wordt benoemd en hij die benoeming aanvaardt, dan verliest hij van rechtswege zijn raadslidmaatschap (art. X 1 Kieswet jo. art.13, eerste lid Gemeentewet). De ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap vergt dus geen specifieke actie van de raad. De aldus ontstane vacature wordt vervuld volgens de regels in de Kieswet omtrent lijstopvolging (hoofdstuk W). Als een wethouder tussentijds aftreedt kan hij overigens niet automatisch aanspraak maken op een raadszetel, ook niet als hij wel in de raad gekozen was bij de verkiezingen. Meer informatie over de procedure rondom de installatie van de nieuwe gekozen gemeenteraad en de benoeming van de wethouders vindt u in hoofdstuk 10.

Ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap vergt dus geen specifieke actie van de raad.

Op deze onverenigbaarheid van de functies van raadslid en wethouder bestaan twee uitzonderingen. Voor de periode direct na de raadsverkiezingen tot het aftreden van de "oude" wethouders, mag een "oude" wethouder die is gekozen als raadslid, tegelijkertijd demissionair wethouder zijn. Overigens mag ook de "oude" wethouder, die niet is herkozen tot raadslid, aanblijven tot zijn opvolger in de raad is benoemd. Ook in de periode direct na benoeming van een ("nieuwe") wethouder totdat zijn opvolger is benoemd blijft deze reeds benoemde wethouder tijdelijk tevens raadslid.

De ontkoppeling van het wethouderschap van het raadslidmaatschap brengt met zich dat bepaalde regels die nu voor raadsleden (en dus ook voor wethouders) gelden, expliciet van toepassing worden verklaard op wethouders. Voor een deel leidt dat tot iets andere voorschriften. Daarbij gaat het om:

  1. Het afleggen van de eed of belofte (art. 41a); nieuwe wethouders, ook als zij op het moment van hun benoeming raadslid zijn, moeten in handen van de voorzitter van de raad de eed of belofte voor wethouders afleggen;
  2. Het verbod op nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het wethouderschap, alsmede de verplichting alle nevenfuncties vooraf bij de raad aan te melden en vervolgens openbaar te maken. De raad is als controleur verantwoordelijk voor de naleving van de aanmelding, de openbaarmaking en de beoordeling van welke nevenfuncties ongewenst zijn (art. 41b jo 12, De nieuwe regeling inzake nevenfuncties gaat verder dan de oude, waarin alleen openbaarmaking verplicht was).
  3. Verder wordt voor wethouders, net als voor de raadsleden en de burgemeester, een gedragscode ingevoerd. De raad dient deze vast te stellen (art. 41c jo 15); Deze gedragscode moet een jaar na de inwerkingtreding van de wet zijn vastgesteld (de raad kan deze termijn met een jaar verlengen) . Eerdere inwerkingtreding is uiteraard toegestaan en ook wenselijk. U kunt daarvoor gebruik maken van het model dat is verschenen in het boek Integriteit van bestuurders bij gemeenten en provincies (Rtf-bestand, 250 kb; boek is te verkrijgen bij de VNG-uitgeverij, ISBN: 9032271725).

Flankerend beleid

De doelstellingen van de ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap kunnen niet alleen door middel van formele regels worden gerealiseerd. Ook verandering van de politiek-bestuurlijke cultuur op dat vlak is nodig om dualisme in de bestuurspraktijk vorm en inhoud te geven. Veel hangt af van de attitude van zowel raadsleden als wethouders ten aanzien van hun eigen rolvervulling. Hieraan is in de Profielschets voor fractie, raadslid en wethouder in een dualistisch stelsel al de nodige aandacht besteed. In deze handreiking kan daarom met een enkele beknopte suggestie worden volstaan:

  1. Bij de rekrutering en selectie van kandidaten voor het raadslidmaatschap en het wethouderschap houden de politieke partijen rekening met de gewijzigde profielen van beide functies. In een dualistisch stelsel past bijvoorbeeld ook dat de politiek leider van een partij in de raad blijft zitten en dat anderen het wethouderschap gaan vervullen.
  2. Als men kandidaat-wethouders gaat selecteren, is het wenselijk zich te realiseren dat deze ook van buiten de raad mogen worden aangetrokken. Wethouders van buiten de gemeente zullen zich wel binnen een jaar na aantreden in de gemeenten moeten vestigen.
  3. Fracties die verwachten dat ze wethouders zullen leveren, zouden zich tijdig moeten bezinnen op de vraag hoe intensief de relatie tussen fractie en wethouder(s) dient te zijn. Een belangrijk aspect daarbij is de aanwezigheid van wethouders in de fractievergadering. Die aanwezigheid is niet langer vanzelfsprekend als wethouders niet langer tegelijkertijd raadslid zijn.
  4. Ook het collegeprogramma vraagt in gedualiseerde verhoudingen nadere overweging. De vraag is hoe gedetailleerd een dergelijk programma kan zijn, wil de gehele raad, dus ook de collegefracties, voldoende zelfstandig ten opzichte van het college kunnen opereren. Ook kan men zich afvragen of collegefracties zich überhaupt moeten binden aan een collegeprogramma. Het is denkbaar dat een dergelijk programma alleen het college bindt. Dit laatste impliceert dat alleen de collegeleden, inclusief de burgemeester, het collegeprogramma ondertekenen en niet langer de voorzitters van de collegefracties.

3.3 De wethouder van buiten de raad
De ontkoppeling van het wethouderschap en het raadslidmaatschap maakt het voor de raad mogelijk personen van buiten de raad tot wethouder te benoemen. De benoemingsvereisten zijn in principe dezelfde als voor raadsleden (art. 36a, eerste lid). De naleving van deze benoemingsvereisten is zowel een verantwoordelijkheid van de te benoemen wethouder als van de benoemende instantie, de raad. Zoals al is opgemerkt, verdient het aanbeveling dat partijen die mogelijk na de raadsverkiezingen in de positie zouden kunnen komen om collegeverantwoordelijkheid te gaan dragen, zichzelf de vraag stellen of zij eventueel kandidaten van buiten de raad naar voren willen schuiven voor het wethouderschap. Het is immers denkbaar dat geschikte kandidaten wel beschikbaar willen zijn voor het wethouderschap, maar niet voor het raadslidmaatschap (Zie hiervoor ook de Profielschets voor fractie, raadslid en wethouder in een dualistisch bestel; VNG-uitgeverij ISBN: 9032271725).

De wethouder van buiten kan een aantal verschillende achtergronden hebben. Ten eerste kan een wethouder wel op een lijst voor de raadsverkiezingen hebben gestaan maar op een onverkiesbare plaats, ten tweede kan hij niet op een lijst hebben gestaan maar binnen de gemeente wonen en ten derde kan de wethouder van buiten de gemeente afkomstig zijn en daardoor niet op een lijst gestaan kunnen hebben. In dit laatste geval moet hij overigens wel binnen een jaar in de gemeente gaan wonen (artikel 36a, tweede lid). De raad kan namelijk voor maximaal een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap.

Bij de kandidaatstelling voor de verkiezingen van 6 maart 2002 moet wel rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de Wet dualisering gemeentebestuur onverhoopt niet in werking treedt op 7 maart 2002. Om die reden lijkt het verstandig voor partijen om voor deze verkiezingen de beoogde wethouders wel op een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst te zetten.

3.4 De wethouder van buiten de gemeente
Eén van de formele vereisten voor het wethouderschap is in de monistische Gemeentewet het ingezetenschap van de gemeente. Dit vereiste vloeit direct voort uit de verwevenheid van het wethouderschap met het raadslidmaatschap. Aan deze verwevenheid wordt een eind gemaakt. In dit kader maakt de wet het mogelijk dat om wethouders van buiten de gemeente te benoemen. Daardoor is het ook mogelijk dat - voorafgaand aan de benoeming van de wethouder - de raad voor maximaal een jaar besluit ontheffing te verlenen van het vereiste van ingezetenschap. Weigert de raad deze ontheffing te verlenen, dan kan de desbetreffende kandidaat niet worden benoemd. Wethouders die reeds benoemd zijn en een jaar voor het moment van aftreden willen verhuizen naar een woonplaats buiten de eigen gemeente, moeten vooraf aan de raad om ontheffing van het woonplaatsvereiste vragen. Verleent de raad die ontheffing niet, dan moet de wethouder aftreden of niet verhuizen. Overigens mag iemand in niet meer dan één gemeente tegelijk wethouder zijn (art. 36a, derde lid).

3.5 Wethouders mogen niet langer lid van een raadscommissie zijn
Wethouders en ook de burgemeester mogen niet langer lid (en dus ook geen voorzitter) van een raadscommissie zijn (art. 82, tweede lid). Dit betekent uiteraard niet dat collegeleden niet aanwezig mogen zijn in vergaderingen van raadscommissies. Omdat overleg met het college één van hoofdtaken van raadscommissies is, maakt dat hun aanwezigheid vaak zelfs noodzakelijk voor een goed functioneren van deze commissies. Dit betekent echter niet dat collegeleden per definitie aan de beraadslagingen in de commissie kunnen deelnemen. Net als voor vergaderingen van de raad geldt hier dat de commissie collegeleden uitnodigt om aan de beraadslagingen deel te nemen (art. 82, vijfde lid in samenhang met art. 21, tweede lid). Als een commissie besluit in beslotenheid te vergaderen, dan mogen de daartoe uitgenodigde collegeleden daaraan deelnemen. Als collegeleden niet zijn uitgenodigd voor deelname, mogen zij uiteraard als toehoorder de commissievergadering bijwonen, tenzij de vergadering in beslotenheid plaatsvindt. Naar verwachting zal een veelgekozen optie zijn dat wethouders normaal gesproken verwacht worden, tenzij de raadscommissie aangeeft dat niet op prijs te stellen.

U bent hier



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)