4.5 Samenstelling rekenkamer, benoeming en ontslag

De Gemeentewet biedt gemeenten de keuze tussen een collegiale rekenkamer of een eenhoofdige rekenkamer. De collegiale rekenkamer bestaat uit ten minste twee leden, waaronder de voorzitter, die geen lid mogen zijn van de gemeenteraad. De eenhoofdige rekenkamer staat ook wel bekend als het zogenoemde directeursmodel, zoals het op dit moment bij de Rotterdamse rekenkamer functioneert. In Rotterdam heeft men een onafhankelijke directeur, het enige lid van de rekenkamer, benoemd die ondersteund wordt door een eigen Rekenkamerbureau dat geheel onder verantwoordelijkheid van de directeur valt.

Box 4.6

Voorbeeld Rotterdam

In Rotterdam is in december 1997 bij verordening een eenhoofdige rekenkamer ingesteld. Aan deze rekenkamer wordt leiding gegeven door de directeur lokale rekenkamer. De Rotterdamse Rekenkamer neemt een onafhankelijke positie in binnen de gemeente. Deze onafhankelijkheid houdt onder meer in dat de directeur niet ondergeschikt is aan de raad, het college van burgemeester en wethouders of enig ander gemeentelijk gezag. De directeur bepaalt zelf ook wat hij onderzoekt en rapporteert. Wel bestaat de mogelijkheid voor de raad en het college om bij de directeur een onderwerp voor onderzoek voor te dragen. Jaarlijks stuurt de directeur een onderzoeksplan en een jaarverslag ter kennisname aan de gemeenteraad. Aan de directeur

wordt – gevraagd en ongevraagd - alle schriftelijke en mondelinge informatie verstrekt die hij ten behoeve van zijn onderzoek denkt nodig te hebben. Ook kan de directeur een of meer van zijn bevoegdheden aan een of meer medewerkers van zijn bureau mandateren. De directeur is tevens bevoegd ten dienste van zijn onderzoek advisering door deskundigen in te winnen. Tevens kan de directeur, voor zover dat naar zijn oordeel ten behoeve van het onderzoek is vereist, zonder toestemming alle plaatsen betreden van het betrokken orgaan of dienst. De directeur brengt naast zijn rapportages over de onderzoeksonderwerpen jaarlijks aan de gemeenteraad schriftelijk verslag uit van zijn werkzaamheden

Het belang van borging van de onafhankelijkheid van de rekenkamer is al diverse keren benadrukt. Om deze onafhankelijkheid te waarborgen dient een rekenkamer te beschikken over een ambtelijk apparaat dat niet onder de ambtelijke hiërarchie van de gemeente valt. De ambtenaren die voor de rekenkamer werken, mogen niet tevens voor de raad, het college, de burgemeester of een gemeentelijke commissie werken. Zij zijn uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de rekenkamer.

Box 4.7

Artikel 81j
  1. De raad stelt, na overleg met de rekenkamer, de rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
  2. Op voordracht van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer benoemt het college zoveel ambtenaren van de rekenkamer als nodig zijn voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
  3. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, verrichten niet tevens werkzaamheden voor een ander orgaan van de gemeente.
  4. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig aan de rekenkamer.

De onafhankelijkheid van de rekenkamer en haar leden komt voorts tot uitdrukking in de regeling van onverenigbare betrekkingen in artikel 81f. Een combinatie van ambten en betrekkingen die in dit artikel genoemd zijn, zou kunnen leiden tot een ontoelaatbare verstrengeling van belangen. De regeling van onverenigbare betrekkingen bepaalt onder andere dat raadsleden geen deel mogen uitmaken van de rekenkamer.

Box 4.8

Artikel 81f
  1. Een lid van de rekenkamer is niet tevens;
    1. minister;
    2. staatssecretaris;
    3. lid van de Raad van State;
    4. lid van de Algemene Rekenkamer;
    5. Nationale ombudsman;
    6. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
    7. commissaris van de Koning;
    8. lid van de gedeputeerde staten;
    9. griffier der staten;
    10. lid van de raad;
    11. burgemeester van de betrokken gemeente;
    12. wethouder van de betrokken gemeente;
    13. lid van een deelraad van de betrokken gemeente;
    14. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente van de betrokken gemeente;
    15. lid van een commissie van de betrokken gemeente;
    16. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt;
    17. ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de gemeente;
    18. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
  2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder p, kan een lid van de rekenkamer tevens zijn;
    1. ambtenaar van de burgerlijke stand;
    2. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
    3. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.

 

Benoeming en ontslag

De gemeenteraad kan een rekenkamer instellen en stelt het aantal leden vast. De raad benoemt het lid of de leden van de rekenkamer voor een periode van zes jaar. Indien de rekenkamer uit twee of meer leden bestaat, benoemt de raad uit de leden een voorzitter. De raad kan ook plaatsvervangende leden benoemen. Bij een eenhoofdige rekenkamer dient de raad in ieder geval een plaatsvervangend lid te benoemen. De benoeming van de leden van de rekenkamer geschiedt pas na overleg door de raad met de rekenkamer. De raad kan een lid ook herbenoemen.

De periode waarvoor leden van de rekenkamer worden benoemd, biedt waarborgen voor de onafhankelijkheid. De wet voorziet in een benoemingstermijn van zes jaar. Een te korte benoemingsperiode kan afbreuk doen aan de onafhankelijkheid, omdat de vraag "word ik wel herbenoemd" dan al te snel weer wordt gevoeld. In de praktijk zal na verloop van tijd door tussentijds aftreden vanzelf de situatie ontstaan dat niet steeds de gehele rekenkamer opnieuw moet worden benoemd. Dit komt de continuïteit en de onafhankelijkheid van de rekenkamer ten goede. Voordeel van de termijn van zes jaar is ook dat over benoeming en herbenoeming in het gewone geval steeds door twee verschillend samengestelde raden wordt beslist.

De raad mag een lid van de rekenkamer uitsluitend ontslaan op diens verzoek of indien zich ten minste één van de in artikel 81c, zesde lid, opgesomde omstandigheden voordoet. De gronden die in het zevende lid genoemd worden, kunnen leiden tot ontslag. Hier heeft de raad dus - anders dan bij de dwingend geformuleerde ontslaggronden uit het zesde lid - een zekerebeleidsvrijheid. Of wordt overgegaan tot ontslag hangt af van de ernst van de situatie. Anders dan bij de Algemene Rekenkamer is niet voorzien in ontslag door de rechter.

De limitatieve opsomming van ontslaggronden in artikel 81c, zesde en zevende lid, moet eveneens worden gezien in het licht van de onafhankelijkheid.

Box 4.9

Artikel 81c
  1. De raad benoemt de leden van de rekenkamer voor de duur van zes jaar.
  2. Indien de rekenkamer uit twee of meer leden bestaat, benoemt de raad uit de leden de voorzitter.
  3. De raad kan plaatsvervangende leden benoemen. Indien de rekenkamer uit één lid bestaat, benoemt de raad in ieder geval een plaatsvervangend lid. Deze paragraaf is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
  4. De raad kan een lid herbenoemen.
  5. Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, pleegt de raad overleg met de rekenkamer.
  6. Een lid van de rekenkamer wordt door de raad ontslagen:
    1. op eigen verzoek;
    2. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap;
    3. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
    4. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
    5. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
  7. Een lid van de rekenkamer kan door de raad worden ontslagen:
    1. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
    2. indien hij handelt in strijd met artikel 81h.

De leden kunnen tevens op non-actief worden gesteld in de omstandigheden, genoemd in Artikel 81d.

Box 4.10

Artikel 81d
  1. De raad stelt een lid van de rekenkamer op non-activiteit indien:
    1. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
    2. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
    3. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
  2. De raad kan een lid van de rekenkamer op non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in artikel 81c, zesde lid, onder a, en zevende lid, onder a, zouden kunnen leiden.
  3. De raad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kan de raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.

U bent hier



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)