5. Versterking van verordenende en controlerende bevoegdheden van de raad
5.1 Algemeen
Een belangrijk doel van de dualiseringsoperatie is de versterking van de volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende functies van de raad. Deze versterking heeft met name vorm gekregen in een aantal nieuwe wettelijke bevoegdheden van de raad. Voor een deel betreft het hier nieuwe bevoegdheden (bijvoorbeeld het onderzoeksrecht). Deels zijn het in de meeste gemeenten al bestaande bevoegdheden die nu zonder drempelsteun voor de raad en de raadsleden wettelijk worden verankerd.
Voorzover gemeenten in hun reglementen van orde en andere eigen regelgeving bepalingen hebben opgenomen, die deze bevoegdheden betreffen, vervallen de bedoelde bepalingen van rechtswege op het moment van inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur. Het verdient daarom aanbeveling dat tijdig wordt begonnen met de voorbereiding van deze herziening van gemeentelijke regels. Rond de jaarwisseling en in de periode daarna verschijnen in het kader van de Vernieuwingsimpuls diverse handreikingen die u daarbij kunnen ondersteunen.
5.2 Recht van initiatief van ieder raadslid
Over het wettelijk recht van initiatief (art. 147a, eerste lid) en de meer praktische aspecten van dit recht is een afzonderlijke handreiking Initiatiefvoorstellen: wanneer en hoe? (VNG-uitgeverij ISBN: 9032271814). verschenen. Dit onderwerp blijft hier daarom buiten beschouwing.
Op deze plaats moet echter wel worden gewezen op de verplichting voor de raad te regelen op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld en op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen in behandeling moeten worden genomen (art. 147a, tweede en derde lid). Deze regeling dient binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur tot stand te komen. Het ligt voor de hand deze regeling op te nemen in het reglement van orde. De op zeer korte termijn uit te brengen handreiking voor een modelreglement van orde in een dualistisch stelsel zal dan ook een model voor deze regeling bevatten. Het gaat dan bijvoorbeeld om de wijze van indiening, agendering en behandeling.
5.3 Recht van amendement van ieder raadslid
Het recht van amendement wordt aan elk individueel raadslid toegekend (art. 147b). Dat wil zeggen dat niet langer drempels (bijvoorbeeld een bepaald minimumaantal handtekeningen van raadsleden onder een amendement) zijn toegestaan. Alle ontwerpbeslissingen en ontwerpverordeningen die zijn geagendeerd voor raadsvergaderingen, kunnen worden geamendeerd.
De raad moet in zijn reglement van orde nadere procedurele regels stellen over de uitoefening van het amendementsrecht (art. 147b, tweede lid). Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de behandeling van sub-amendementen. Ook hierover zullen in de op zeer korte termijn uit te brengen handreiking voor een modelreglement van orde in een dualistisch stelsel voorbeeldregels worden opgenomen.
5.4 Recht op ambtelijke bijstand voor de raad en ieder individueel raadslid
Nieuw is het expliciete recht op ambtelijke bijstand dat aan de raad en aan elk individueel raadslid wordt toegekend (art. 33, eerste lid). Dit wordt zelfs nog nader uitgewerkt door een recht op fractieondersteuning. Beide rechten moeten door de raad verder uitgewerkt worden in een verordening (art. 33, tweede lid). De raad moet deze verordening uiterlijk op 7 maart 2003 vaststellen (art. V, tweede lid). In deze verordening zou de raad kunnen regelen op welke wijze ambtelijke bijstand wordt verleend door de griffier of de ambtelijke organisatie ten behoeve van het opstellen van een initiatiefvoorstel, een amendement of een motie, hoe feitelijke informatie wordt verstrekt en de wijze waarop in het algemeen een verzoek om ambtelijke bijstand wordt gedaan. Ook de rol van de fractieondersteuning die naar verwachting meer politiek van karakter zal zijn moet daarin een plaats krijgen. Daarnaast kan de taakverdeling tussen de griffier en de secretaris nader uitgewerkt worden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat deze verordening het recht op ambtelijke bijstand beperkt. Het gaat nadrukkelijk om een uitwerking van dit recht, waarbij de raad zelf dusdanige regels formuleert die een redelijk gebruik ervan garanderen. Denkbaar is de burgemeester, mede gelet op zijn rol als voorzitter van de raad, een bepaalde verantwoordelijkheid te geven bij het toetsen en vervolgens in de juiste procedurele banen leiden van verzoeken om ambtelijke bijstand. In de handreiking over ambtelijke ondersteuning voor de raad die begin 2002 zal verschijnen wordt nader ingegaan op de inhoud van deze verordening.
Voor de effectuering van het recht op ambtelijke bijstand in formele zin is het nodig dat de ambtelijke ondersteuning ook feitelijk beschikbaar is. Dat wil zeggen dat in de ambtelijke organisatie en in de griffie hiervoor capaciteit wordt vrijgemaakt. De raad kan in de begroting ruimte voor deze capaciteit creëren.
Daarnaast kan de raad uiteraard op de begroting middelen vrij maken voor specifieke vormen van ondersteuning als fractie-ondersteuning en het inhuren van contra-expertise. Op grond van artikel 155f is het college verplicht de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek ex. art. 155a in de begroting voor het desbetreffende jaar op te nemen.
5.5 Mondeling en schriftelijk vragenrecht van ieder raadslid/inlichtingenplicht college
Het vragenrecht van individuele raadsleden wordt eveneens wettelijk verankerd (art. 155, eerste lid). Het gaat hierbij zowel om mondelinge als schriftelijke vragen gericht aan het college of de burgemeester, ieder voorzover het gaat om hun eigen bevoegdheden.
Het is aan de raad zelf om dit vragenrecht verder uit te werken. Het mondelinge vragenrecht kan bijvoorbeeld onder meer gestalte krijgen door middel van een vragenuur, bijvoorbeeld tijdens de raadsvergadering. Daarnaast kan op de agenda voor de verschillende raadscommissies het punt "rondvraag aan het college" worden opgenomen, hetgeen gelegenheid geeft afzonderlijke portefeuillehouders vragen te stellen. Een en ander dient de raad in het reglement van orde te regelen. Dat laatste geldt ook voor het schriftelijke vragenrecht. In het reglement van orde kan de raad procedurele regels over de uitoefening van dit recht stellen, bijvoorbeeld over de termijn van beantwoording. Ook hierover vindt u in de eerdergenoemde handreiking over een gedualiseerd reglement van orde, modelbepalingen.
Complementair aan het vragenrecht van de raad is de inlichtingenplicht van het college en de burgemeester (respectievelijk art. 169, tweede tot en met vierde lid, en 180, tweede tot en met vierde lid). Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de passieve en de actieve inlichtingenplicht van het college jegens de raad. De passieve inlichtingenplicht bestaat nu ook al en behelst het op verzoek van een raadslid verstrekken van inlichtingen (artt. 169, derde lid en 180, derde lid). Nieuw is de actieve inlichtingenplicht. Het college moet uit zichzelf de raad alle inlichtingen verstrekken die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft (artt. 169, tweede lid en 180, tweede lid). De concrete invulling van deze bepaling kan variëren afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, raad en college moeten afspraken maken over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan deze plicht, niet alleen qua frequentie maar ook qua vorm.Globaal zijn er drie mogelijkheden voor het college om aan deze verplichting te voldoen:
Ook de vorm en een beperking van de hoeveelheid van informatie kunnen raadsleden helpen bij het vervullen van hun taken. Bondige strategische informatie eerst en eventuele details daarna lijkt een goede opzet voor het aanbieden van informatie. De griffier en de burgemeester kunnen een rol spelen bij het toezicht op de implementatie van afspraken over de informatievoorziening.
5.6 Recht van interpellatie
In het verlengde van het vragenrecht beschikt de raad ook over het recht van interpellatie. Dit recht is nu soms in het reglement van orde van de raad geregeld. Dit recht wordt volgens de nieuwe Gemeentewet op hoofdlijnen verankerd (art. 155, tweede lid). Elk individueel raadslid kan verzoeken om een interpellatie. De raad als geheel beslist echter of hij de interpellatie toestaat.
De verdere procedurele uitwerking moet door de raad zelf gebeuren (art. 155, tweede lid, tweede volzin). Het reglement van orde is hiervoor de aangewezen plaats. De bedoelde uitwerking moet plaatsvinden voor 7 maart 2003 (art. V, tweede lid). In de op korte termijn uit te brengen handreiking voor een modelreglement van orde in een dualistisch stelsel zal ook hiervoor een modelregeling worden opgenomen.
5.7 Politieke verantwoording, vertrouwensregel en politiek ontslag
De aangescherpte inlichtingenplicht van het college moet worden gezien in het perspectief van zijn verantwoordingsplicht ten opzichte van de raad. Om deze verantwoordingsplicht kracht bij te zetten is net als in de oude Gemeentewet voorzien in de mogelijkheid voor de raad om een wethouder die niet langer het vertrouwen van de raad geniet, te ontslaan. Ten aanzien van deze mogelijkheid van politiek ontslag bevat de nieuwe Gemeentewet een tweetal wijzigingen:
5.8 Het recht van onderzoek (enquête)
Wat kan onderwerp zijn van een onderzoek?
Een belangrijk nieuw controle-instrument van de raad is het recht van onderzoek (enquête). Het onderzoek kan zich uitstrekken tot het gehele door het college of de burgemeester gevoerde bestuur (art. 155a, eerste lid). In het besluit van de raad tot het instellen van een onderzoek moet het te onderzoeken onderwerp worden omschreven. Zaken die buiten deze omschrijving vallen, mogen dus niet worden onderzocht met gebruikmaking van de dwangmiddelen. Dit is vooral van belang voor degenen die verplicht zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek. Zij moeten weten waartoe die verplichting zich uitstrekt. Soms zal echter, bijvoorbeeld op grond van de eerste onderzoeksresultaten, de conclusie moeten zijn dat de omschrijving onvoldoende adequaat is. Daarom is het mogelijk dat de raad hangende het onderzoek het onderwerp wijzigt (art. 155a, tweede lid). Verder heeft het aftreden van de raad geen gevolgen voor het werk van de commissie (art.155a, zesde lid).
Wie stelt een onderzoek in?
Elk raadslid kan een voorstel doen om een onderzoek in te stellen. Het is echter de raad die bij gewone meerderheid besluit tot het instellen van een onderzoek (art. 155a, eerste lid). Het onderzoek wordt uitgevoerd door een onderzoekscommissie, waarvan de leden door de raad worden benoemd. Een onderzoekscommissie bestaat uit ten minste drie personen en bestaat uitsluitend uit leden van de raad (art. 155a, derde lid). Collegeleden kunnen vanzelfsprekend geen lid zijn van een onderzoekscommissie (art. 155a, vierde lid). Als de raad een onderzoek wil instellen moet hij daarover in algemene zin vooraf bij verordening regels stellen. Hierin moeten in elk geval regels worden opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend (art. 155a, achtste lid).
Wie moeten medewerking verlenen aan een onderzoek?
Het onderzoek dient zich te beperken tot het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur, daaruit vloeit voort dat alleen personen die van gemeentelijke zijde die direct met dit bestuur te maken hebben of te maken hebben gehad, verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek. Het betreft hier:
Het gaat hierbij om twee verplichtingen. In de eerste plaats moeten de genoemde personen desgevraagd inzage verschaffen in, afschrift laten nemen van of het op een andere manier laten kennisnemen van documenten (ook elektronische), waarover zij beschikken (art. 155b, eerste lid). Als deze documenten echter afkomstig zijn van het Rijk of een instelling van de EU en kennisneming van die bescheiden het belang van de Staat of de EU kan schaden, moet de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toestemming geven voor het gebruik van die bescheiden (art. 155b, tweede lid). Gemeente-ambtenaren moeten daarnaast, op verzoek van de onderzoekscommissie, medewerking verlenen aan het onderzoek (art. 155b, derde lid). Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het opstellen van een overzicht van bij het onderzoek betrokken personen, een inventarisatie van de relevante wet- en regelgeving of een beschrijving van het verloop van een besluitvormingsprocedure.
Verder zijn de hiervoor genoemde personen verplicht te voldoen aan een schriftelijke oproep van de onderzoekscommissie om te verschijnen voor de commissie teneinde als getuige of deskundige door haar te worden gehoord (art. 155c, eerste lid). De commissie kan besluiten hen onder ede te horen (art. 155c, vierde lid). De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, terwijl de deskundigen hun speciale diensten moeten verlenen. Allleen ambts- of beroepsgeheim kan tot verschoning van deze plicht leiden (art. 155e) Als getuigen of deskundigen weigeren te verschijnen kunnen ze op last van de commissie door de politie voor de onderzoekscommissie worden gebracht (art. 155d, tweede lid). Het horen van getuigen en deskundigen vindt in beginsel in het openbaar plaats. De onderzoekscommissie kan uitsluitend om "gewichtige redenen" besluiten een verhoor geheel of gedeeltelijk in beslotenheid af te nemen (art. 155c, zesde lid).
Personen die niet behoren tot de twee in het voorgaande genoemde categorieën, kunnen niet worden verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek. Zij kunnen dit wel op vrijwillige basis doen. Zij kunnen echter niet onder ede worden gehoord noch door de politie voor de onderzoekscommissie worden gebracht.
Wat gebeurt er met de resultaten van een onderzoek?
De onderzoekscommissie zal op enig moment haar werkzaamheden voltooien en de resultaten daarvan neerleggen in een onderzoeksrapport. Zij kan daaraan conclusies en aanbevelingen verbinden. Het is vervolgens aan de raad om te bepalen op welke wijze een dergelijk rapport verder wordt behandeld. Openbare behandeling in een raadsvergadering ligt echter in de lijn van de verwachtingen. Dat geldt zeker als de raad politieke consequenties verbindt aan een onderzoeksrapport.
Hoe wordt een onderzoek gefinancierd?
Een onderzoek kost geld, zeker als externe ondersteuning wordt ingehuurd. Het is denkbaar dat de raad jaarlijks een vast bedrag voor dit doel op de begroting opvoert. Als dit bedrag onvoldoende zou zijn, kan hierin door middel van een tussentijdse begrotingswijziging worden voorzien. Hoe dan ook, het college is verplicht de door de raad geraamde lasten van een onderzoek in de ontwerp-begroting op te nemen (art. 155f).
Andere soorten van onderzoek
Het onderzoek op grond van de artikelen 155a tot en met 155f is een zwaar instrument. De raad kan ook, zoals hij dat nu ook al kan, besluiten tot het instellen van een lichter onderzoek zonder de verplichting om medewerking te verlenen. Een dergelijk onderzoek kan heel goed ad hoc plaatsvinden, dat wil zeggen zonder dat er een verordening aan ten grondslag ligt. Dit onderzoek kan ook door derden worden uitgevoerd, bijvoorbeeld als de raad behoefte heeft aan een second opinionover gecompliceerde beleidsvoornemens van het college. Het verdient aanbeveling voor het inhuren van dit soort contra-expertise een afzonderlijke post op de begroting op te voeren.
De Wet dualisering gemeentebestuur schrijft nog drie andere soorten onderzoek voor. In de eerste plaats is er de aangescherpte accountantscontrole gericht op het beoordelen van de rechtmatigheid van gedane uitgaven (en daarmee van het bijbehorende beleid) (art. 213). Deze controle vindt plaats aan de hand van de jaarrekening. In de tweede plaats voert de gemeentelijke rekenkamerfunctie onderzoeken uit (art. 182). Deze onderzoeksrapportages kunnen de raad aanknopingspunten bieden voor de controle van het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. Zie voor meer informatie ook paragraaf 6.3 Verder komen deze twee vormen van onderzoek uitvoerig aan de orde in de te verschijnen afzonderlijke handreiking voor modellen voor de financiële verordeningen (begin 2002) en inzake de gemeentelijke rekenkamer of rekenkamerfunctie (begin 2002). In de derde plaats schrijft de nieuwe Gemeentewet dwingend onderzoek door het college naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. De raad stelt bij verordening regels vast voor dit onderzoek (art. 213a). Deze regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de frequentie van het onderzoek en de wijze waarop een en ander wordt afgestemd met de gemeentelijke rekenkamerfunctie. De raad moet deze verordening uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur vaststellen, tenzij hij zelf besluit tot verlenging van deze invoeringstermijn met nog eens een jaar (art. V). In de handreiking over de financiële verordeningen (212, 213 en 213a), die begin 2002 zal verschijnen, wordt nader op dit onderwerp ingegaan.
5.9 Gedragscodes
De raad moet gedragscodes voor zichzelf, de wethouders en de burgemeester vaststellen (artt. 15, derde lid, 41c, tweede lid en 69, tweede lid). Door deze gedragcodes verschaft de raad zich een extra instrument voor zijn controle op het college en de burgemeester. De codes zijn gericht op het waarborgen van de integriteit van raadsleden, wethouders en burgemeesters. In een code kunnen bepalingen worden opgenomen over bijvoorbeeld:
De gedragscodes moeten uiterlijk 7 maart 2003 door de raad worden vastgesteld, tenzij de raad beslist deze invoeringstermijn met een jaar te verlengen. In de publicatie "Integriteit van bestuurders in gemeenten en provincie " zijn modelgedragscodes te vinden (VNG-uitgeverij ISBN: 9032271679).
5.10 Afschaffing bevoegdheid bij verordening beleidsregels te stellen over de uitoefening van medebewindsbevoegdheden door het college
In artikel 148 van de oude Gemeentewet was bepaald dat de raad bij verordening beleidsregels kan stellen over de uitoefening van aan het college of de burgemeester toegekende medebewindsbevoegdheden. Deze bepaling wordt uit de wet geschrapt.
De raad kan echter - zoals nu vaak ook het geval is - ad hoc, bijvoorbeeld door het bespreken van beleidsnota's van het college of het aannemen van moties, wel degelijk invloed uitoefenen op het collegebeleid, ook daar waar het de uitoefening van medebewindsbevoegdheden betreft. Die invloedsmogelijkheden zijn echter politiek van karakter. Overigens zal het in te dienen wetsvoorstel dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden tot een aanzienlijke toename van de medebewindsbevoegdheden van het college leiden.
5.11 Schrappen mogelijkheid van beroep op de raad
Artikel 152 van de oude Gemeentewet biedt de raad de mogelijkheid om bij verordening beroep op zichzelf open te stellen tegen krachtens deze verordening genomen besluiten van het college of de burgemeester. Een dergelijke mogelijkheid van bestuurlijke heroverweging door de raad van collegebesluiten past niet in een gedualiseerd stelsel en wordt daarom afgeschaft. Dit betekent dat alle gemeentelijke verordeningen die in een dergelijke beroepsmogelijkheid voorzien voor 7 maart 2002 aangepast moeten worden.
5.12 Wie bepaalt de agenda van de raad?
De monistische Gemeentewet kent geen expliciete regeling over de vaststelling van de raadsagenda. Ook in het monisme wordt er echter vanuit gegaan dat de raad uiteindelijk zèlf bevoegd is. Het punt "vaststelling van de agenda" is dan ook na de opening het eerste agendapunt van veel raadsvergaderingen. In de praktijk stelt het college de concept-agenda echter vast. Dit betekent dat het college niet alleen de agenda van de raadsvergadering, maar ook in hoge mate de politieke agenda van de raad bepaalt. In gedualiseerde verhoudingen is een dergelijke werkwijze niet gewenst. De raad dient zelf zijn agenda, zowel formeel als in politieke zin, vast te stellen. De raad bepaalt welke collegevoorstellen hij agendeert en wanneer.
Om deze wijze van agendavaststelling te bevorderen, verdient het aanbeveling dat de raad door middel van zijn reglement van orde een presidium, seniorenconvent of agendacommissie instelt, waarvan de burgemeester en enkele raadsleden (dat kunnen bijvoorbeeld alle fractievoorzitters of alle commissievoorzitters zijn) deel uitmaken. Dit presidium stelt vervolgens de voorlopige agenda op, die aan de raadsleden wordt toegezonden en vervolgens vastgesteld in de raadsvergadering. Dit kan leiden tot een grotere zelfstandigheid ten opzichte van het college. Ditzelfde geldt natuurlijk voor de raadscommissie waar de voorzitters (mogelijk ondersteund door secretarissen die zijn ondergebracht in de griffie) deze rol moeten spelen. Zie voor een nadere toelichting over en modelbepalingen voor het seniorenconvent de op korte termijn te verschijnen Handreiking modelreglement van orde voor de gemeenteraad in een dualistisch stelsel.
5.13 Rekenkamerfunctie
Ook de rekenkamerfunctie is natuurlijk een versterking van de controlerende bevoegdheid van de raad, hierover leest u meer in paragraaf 6.3.



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)