6. De positie van de raad na dualisering van bestuursbevoegdheden
Er bestaat geen twijfel over dat de eindverantwoordelijkheid in de gemeentelijke politiek bij de raad behoort te blijven. Sommigen menen dat de verschuiving van de bestuursbevoegdheden naar het college een verzwakking van de positie van de raad betekent. Dit is geen consequentie van de Wet dualisering gemeentebestuur. Het hangt in belangrijke mate af van de opstelling van de raad. De concentratie van de bestuursbevoegdheden bij het college kan namelijk niet los gezien worden van een ander kernonderdeel van de dualisering: de versterking van de volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende functie van de raad. De Wet dualisering gemeentebestuur biedt de raad instrumenten ter versterking van zijn positie zoals de rekenkamerfunctie en de actieve informatieplicht van het college. De raad stelt de kaders waarbinnen het college zijn bestuursbevoegdheden uitoefent. De raad controleert - als het goed is - het beleidsproces doorlopend. Het college legt namelijk ook achteraf en zo nodig tussentijds verantwoording af aan de raad.
De concentratie van bestuursbevoegdheden bij het college wil dan ook niet zeggen dat de raad geen politieke invloed meer heeft op de uitoefening van deze bevoegdheden.
Kaderstellende functie
In de eerste plaats kan de raad gebruik maken van zijn formele instrumenten om beleidskaders te stellen: dat wil zeggen zijn verordenende en budgettaire bevoegdheden. Beide instrumenten werden in het verleden niet altijd optimaal benut. Het initiatief tot het maken van verordeningen lag in de praktijk bij het college. In een dualistisch stelsel is het de bedoeling dat raadsleden vaker initiatiefvoorstellen indienen, dan wel het college aansporen tot het maken van een voorstel voor een verordening. In de toekomst zou de raad meer op hoofdlijnen kunnen sturen en de gedetailleerde invulling van de verschillende begrotingsposten aan het college overlaten.
De versterking van de kaderstellende functie van de raad komt scherp naar voren in de verplichte invoering van de raadsgriffier en het recht op ambtelijke bijstand van de raad. De griffier en de medewerkers van de griffie staan de raad bij in de uitoefening van zijn taken. Dit kan vorm krijgen door het geven van inhoudelijke ondersteuning. Mocht de griffie hiertoe niet zelf de capaciteit in huis hebben dan kan ieder raadslid, over het algemeen via de griffier, een beroep doen op de reguliere ambtelijke organisatie. Dit uitgebreidere recht op ambtelijke ondersteuning geeft de raad meer armslag om zijn kaderstellende functie te vervullen.
Ten slotte kunnen raadsleden ook via het al bestaande instrument van de motie kaders stellen voor de wijze waarop het college zijn bevoegdheden uitoefent.
Controlerende functie
De raad kan het college ter verantwoording roepen als het gaat om de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden. De aanleiding hiervoor kan zijn gelegen in een (beleids)incident dat de nodige aandacht krijgt, een klacht van een burger of informatie die het college zelf verschaft. Ook is het denkbaar dat de beantwoording van een concrete mondelinge of schriftelijke vraag van een raadslid over een bepaald onderwerp aanleiding is voor interventie door de raad of door de raadscommissie. Tot slot kunnen rapportages van de rekenkamer of de rekenkamerfunctie, doelmatigheidsonderzoeken van het college, en onderzoeken van de raad zelf ertoe leiden dat het college verantwoording moet afleggen.
Het college heeft een actieve informatieplicht ten opzichte van de raad. Het college moet uit zichzelf, dus zonder dat de raad daarom verzoekt, alle inlichtingen aan de raad geven die deze nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college kan niet zonder meer afwachten of de raad bepaalde informatie zal vragen of niet. Het onvolledig informeren van de raad schaadt het vertrouwen van de raad in het college met alle politieke gevolgen van dien.
Andere controle-instrumenten van de raad zijn het recht van onderzoek, het recht op interpellatie en het vragenrecht.
Regelen van de organisatie, het beheer en de taak van de gemeentelijke brandweer (artikel 1, tweede lid, Brandweerwet 1985)
Bij deze bevoegdheid gaat het om de inrichting van de organisatie van de brandweer. Geen bevoegdheid waarbij algemene regels gesteld worden. De aansturing van een organisatie is een uitvoerende taak. In gedualiseerde verhoudingen is dit duidelijk een taak van het college. Raadsleden zullen zich niet langer met het beheer van de brandweer bezig houden. Het besluit tot aankoop van een brandweerauto zal door het college genomen moeten worden. Wel zal de raad hier vooraf het benodigde budget voor ter beschikking gesteld moeten hebben. Voor de raadsleden ligt er natuurlijk ook een taak om het college te controleren bij de uitoefening van zijn taak. De vinger aan de pols houden, verantwoording vragen, maar niet langer zelf de regeling ter hand nemen.
Vertrouwensregel
Sluitstuk op de volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende functie van de raad is zoals gezegd de vertrouwensregel. De wethouders kunnen niet langer functioneren indien zij het vertrouwen van de meerderheid van de raad hebben verloren. Dit betekent dat de door de raad gestelde kaders niet vrijblijvend zijn. Het college kan de opmerkingen van de raad niet voor kennisgeving aannemen en zich er vervolgens niets van aantrekken. In dat geval zal het college het vertrouwen van de raad verliezen en zullen één of meerdere wethouders moeten opstappen. De vertrouwensregel maakt precies duidelijk dat de eindverantwoordelijkheid in het gemeentebestuur bij de raad blijft. De raad houdt het laatste woord.







