8. Nieuwe bevoegdheden van de burgemeester
8.1 Algemeen
De Staatscommissie en in haar voetsporen het kabinet hebben een gemengd beeld van de huidige positie van de burgemeester geschetst. Enerzijds blijkt telkens weer uit onderzoek dat de burgemeester door de burgers als een gewaardeerde en vertrouwde figuur wordt beschouwd, die bij uitstek de gezichtsbepalende bestuurder van de gemeente is. Anderzijds is er de laatste decennia sprake van een ontwikkeling waarbij de meer representatieve taken steeds meer en de beleidsinhoudelijke aspecten steeds minder het burgemeestersambt gaan bepalen. In dat licht is het gewenst dat de positie van de burgemeester in het gemeentelijk bestuursstelsel wordt versterkt. Dit gebeurt op een aantal vlakken zoals hieronder staat beschreven.
8.2 Bij de collegevorming
In de wet wordt een waarborg gecreëerd voor de betrokkenheid van de burgemeester bij de collegevorming. De fractievoorzitters zijn verplicht de burgemeester over de resultaten van de collegeonderhandelingen te informeren. Op dat moment kan de burgemeester zijn opvattingen over de voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma kenbaar maken (art. 35, tweede lid).
8.3 Als collegevoorzitter
Nieuwe bevoegdheden
De burgemeester blijft voorzitter van het college. Dit voorzitterschap krijgt echter meer inhoud door een drietal nieuwe bepalingen. Het streven van de wetgever is dat deze versterking van de rol van de burgemeester als collegevoorzitter extra waarborgen voor een collegiaal bestuur creëert:
Algemene zorgplichten
Naast deze drie direct op de positie van het college betrekking hebbende bevoegdheden, is verder voorzien in drie, onmiddellijk na de inwerkingtreding werkende, meer algemeen geformuleerde zorgplichten voor de burgemeester. De burgemeester moet namelijk gaan toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, alsmede op een goede afstemming tussen degenen die bij die beleidsvoorbereiding, -vaststelling en -uitvoering zijn betrokken (art. 170, eerste lid, onderdeel a). Deze zorgplicht plaatst de burgemeester in de positie van algemeen coördinator van het gemeentelijk beleid. Het is goed denkbaar dat de burgemeester aan het college en de raad kenbaar maakt hoe hij met deze coördinatiebevoegdheid wil omgaan, ook in relatie tot de eerder behandelde drie bevoegdheden van de burgemeester ten aanzien van het functioneren van het college. De raad kan vragen om een rapportage van de burgemeester over zijn bevindingen als algemeen beleidscoördinator. Dit biedt de raad een goed aanknopingspunt zich effectief over dit onderwerp te buigen.
Verder heeft de burgemeester een bijzondere zorgplicht ten aanzien van de samenwerking met andere gemeenten en andere overheden (art. 170, eerste lid, onderdeel b). Tot slot behoudt de burgemeester de bevoegdheid om te interveniëren in alle gemeentelijke aangelegenheden. De oude Gemeentewet kent in de vorm van artikel 170 ("De burgemeester bevordert een goede behartiging van de zaken van de gemeente") hiervoor een grondslag. In de nieuwe Gemeentewet keert die bepaling in iets gewijzigde vorm terug in de vorm van artikel 170, derde lid: "De burgemeester bevordert overigens een goede behartiging van de gemeentelijke aangelegenheden".
8.4 Als raadsvoorzitter
De burgemeester blijft voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de Grondwet schrijft dit dwingend voor. In het licht van de gedualiseerde verhoudingen is het wel zaak dat de burgemeester in zijn rol van raadsvoorzitter het belang van de raad laat prevaleren boven dat van het college. Als zodanig heeft hij ook een zekere verantwoordelijkheid om de invoering van de dualisering en de cultuurverandering die daarbij hoort te stimuleren.
Thans fungeert bij afwezigheid van de burgemeester één van de wethouders als raadsvoorzitter (art. 77, eerste lid). Een dergelijke figuur past niet in een gedualiseerd stelsel. Daarom is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in leeftijd degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. Voor de overige taken (ook de representatieve) van de burgemeester in algemene zin geldt dat die net als nu worden waargenomen door een wethouder. Als alle wethouders afwezig zijn wordt het ambt van burgemeester waargenomen door hetzelfde raadslid dat het raadsvoorzitterschap waarneemt.
Met het oog op de vaststelling van de voorlopige raadsagenda en meer in het algemeen de procedurele gang van zaken tijdens raadsvergaderingen is het denkbaar dat de raad uit zijn midden een presidium benoemt (zie ook paragraaf 5.12). Het in veel gemeenten al bestaande seniorenconvent zou ook als zodanig kunnen functioneren.
8.5 In de verhouding burger-bestuur
Voor veel burgers is de burgemeester het gezicht van de gemeente. Daarom zijn in de nieuwe Gemeentewet enkele nieuwe taken opgenomen voor de burgemeester, die met name de verhouding tussen burger en gemeentebestuur betreffen.
Het gaat hierbij in de eerste plaats om een drietal specifieke zorgplichten.
1. Toezicht op de kwaliteit van procedures op het vlak van de burgerparticipatie (art. 170, eerste lid, onderdeel c)
Hiermee zijn bedoeld "klassieke" inspraakprocedures en procedures voor de verdergaande interactieve beleidsvorming. Als gemeenten bijvoorbeeld het burgerinitiatief kennen, dient de burgemeester over de kwaliteit van de ten aanzien van dit instrument gevolgde procedures te rapporteren. Ditzelfde kan gelden voor referenda. Dit toezicht betreft nadrukkelijk de procedurele kant. Voor de inhoudelijke kant zijn de eerstverantwoordelijke collegeleden, dus veelal de wethouders, primair verantwoordelijk.
2. Toezicht op een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften (art. 170, eerste lid, onderdeel d)
Ook dit toezicht betreft uiteraard alleen de procedurele aspecten van de behandeling van bezwaarschriften zoals een tijdige en zorgvuldige behandeling.
3. Toezicht op een zorgvuldige behandeling van klachten door het gemeentebestuur (art. 170, eerste lid, onderdeel e)
Het betreft hier de interne klachtbehandeling, dus de wijze waarop het gemeentebestuur zelfde aan zijn adres gerichte klachten behandelt. Externe klachtbehandeling - momenteel nog niet verplicht voor gemeenten - geschiedt door een gemeentelijke ombudsman (of -functie) dan wel de Nationale ombudsman als de betrokken gemeente zich bij dat instituut heeft aangesloten.
Het burgerjaarverslag
De burgemeester is vrij om te bepalen op welke wijze hij zijn zorgplichten op het vlak van de verhouding burger-bestuur wil effectueren. Wel is hij verplicht om in het, overigens vormvrije, burgerjaarverslag verslag uit brengen aan de raad over in ieder geval de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening en zijn bevindingen over de kwaliteit van de burgerparticipatie (art. 170, tweede lid). Daarnaast kan de burgemeester uiteraard, zonder daartoe verplicht te zijn, over andere zaken rapporteren, bijvoorbeeld over het gemeentelijk integraal veiligheidsbeleid.
Het burgerjaarverslag moet tegelijk worden uitgebracht met de jaarrekening, het jaarverslag en de accountantsverklaring (art. 170, tweede lid). Dit heeft als voordeel dat de raad in samenhang met deze andere stukken het college ter verantwoording kan roepen over de mate van burgergerichtheid in de verschillende fases van de beleidsvormingscyclus en zelf voorstellen tot verbetering kan doen. Omdat een burgerjaarverslag de verhouding burger-bestuur betreft, verdient het aanbeveling dit verslag actief aan de burgers ter beschikking te stellen.
De verplichting tot het uitbrengen van het burgerjaarverslag treedt op 7 maart 2002 in werking. Dat wil zeggen dat de burgemeester voor het eerst over 2002 een burgerjaarverslag moet publiceren. De inhoud van dit burgerjaarverslag zal worden opgenomen in een handreiking over de nieuwe rol van de burgemeester die in samenwerking tussen het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en de Vernieuwingsimpuls begin 2002 zal verschijnen.
8.6 De aanstellingswijze van de burgemeester
Over de wijziging van de aanstellingswijze van de burgemeester (aanbeveling door de raad + een volksraadpleging als de raad daartoe beslist) is door het ministerie van BZK een circulaire uitgebracht. De VNG zal nog een ledenbrief en een modelverordening uitbrengen.
8.7 De woonplaats van de burgemeester
Uitgangspunt van de Gemeentewet is dat de burgemeester woont in de gemeente waar hij burgemeester is. De Commissaris van de Koningin kan daarvan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen. Onder het nieuwe regime dient de raad deze ontheffing te verlenen, echter voor maximaal een jaar.



Het Actieprogramma Lokaal Bestuur is een project van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)