Handreiking concrete gevolgen van dualisering voor gemeenten

Alle gevolgen voor de bestuurlijke praktijk van de wet dualisering gemeentebestuur vindt u in deze handreiking. Onder meer alle wijzigingen van de Gemeentewet staan op een rij, ingedeeld volgens de vragen:

  • Wat moet?
  • Wat moeten gemeenten zelf regelen?
  • Wat mag?
  • Waaraan kan verder nog gedacht worden?

Vernieuwingsimpuls dualisme en lokale democratie, 2001

Woord vooraf

Deze handreiking geeft u een overzicht van de elementen die als gevolg van de Wet dualisering gemeentebestuur in de bestuurlijke praktijk zullen veranderen. Het is een actualisatie van de eerder uitgebrachte handreikingen "Wetsvoorstel dualisering gemeentebestuur, wat verandert er en wanneer?" en "Installatie gemeenteraad en benoeming wethouders". Deze handreikingen zijn door de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer deels achterhaald geraakt. In de Tweede Kamer zijn immers een aantal wijzigingen aangebracht in het wetsvoorstel, zoals de verplichte griffier en de mogelijkheid van een keuze tussen de rekenkamer en de rekenkamerfunctie.

Het wetsvoorstel is op het moment van verschijnen van deze handreiking nog niet aangenomen, de Eerste Kamer moet zich er nog over uitspreken. De Eerste Kamer kan het wetsvoorstel alleen aannemen of verwerpen en brengt geen wijzigingen aan. Om ervoor te zorgen dat dit boek ook na inwerkingtreding van het wetsvoorstel gebruikt kan blijven worden en dat gemeenten toch op tijd ingelicht kunnen worden over de inhoud van het wetsvoorstel wordt er in deze handreiking vanuit gegaan dat het wetsvoorstel dualisering gemeentebestuur daadwerkelijk wet wordt. Het wetsvoorstel is echter pas wet als de Eerste Kamer het heeft aangenomen.

De inwerkingtreding van de wet is voorzien op 7 maart 2002, de dag na de raadsverkiezingen. Deze handreiking gaat ervan uit dat de wet op die datum in werking treedt. Ten aanzien van enkele onderdelen zijn overgangsregelingen getroffen. Ook kan worden voorzien in latere inwerkingtreding van bepaalde onderdelen. Hiervan wordt in de tekst in de bijlage expliciet melding gemaakt.

1. Inleiding

Op 20 september 2001 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel dualisering gemeentebestuur aangenomen. Bij de kamerbehandeling zijn verschillende amendementen aangenomen. Hierdoor zijn de eerder in het kader van de Vernieuwingsimpuls verschenen handreikingen , op een aantal punten achterhaald. In deze handreiking zijn alle wijzigingen verwerkt en de twee eerdere handreikingen samengevoegd.

De kern van de dualisering is de ontvlechting van de raad en het college. Dit gebeurt door een scheiding aan te brengen in de samenstelling, de functies en de bevoegdheden van raad en college. Een wethouder is niet meer tegelijkertijd raadslid. De bestuursbevoegdheden worden bij het college geconcentreerd. De kaderstellende en controlerende taken van de raad worden versterkt en meer nadruk komt te liggen bij zijn vertegenwoordigende functie. De dualisering heeft ingrijpende gevolgen voor de bestuurlijke praktijk in gemeenten en vraagt ook een aantal acties van gemeenten. In deze handreiking worden beide aspecten op een rij gezet.

Leeswijzer
In deze handreiking vindt u een weergave van de wijzigingen van de Gemeentewet als gevolg van de wet dualisering gemeentebestuur. In de bijlage vindt u ze nog eens op een rij met daarbij de datum waarop de wijzigingen in zullen gaan. Ook daar wordt ervan uit gegaan dat het wetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt aangenomen en op 7 maart 2002 in werking treedt. De wijzigingsvoorstellen zijn in de bijlage gegroepeerd volgens de onderstaande vragen:

  • Wat moet?
  • Wat moeten gemeenten zelf regelen?
  • Wat mag?
  • Waaraan kan verder nog worden gedacht?

2. Korte achtergrond bij dualisering

De verantwoordelijkheidsverdeling tussen de raad en het college is in de dagelijkse praktijk van gemeenten diffuus en onduidelijk geworden. Dit komt niet alleen door het raadslidmaatschap van de wethouder waardoor het bestuur en de controle daarop met elkaar verknoopt raken. Het heeft volgens de commissie-Elzinga ook te maken met de interne gerichtheid van de raad waardoor zijn vertegenwoordigende functie in het gedrang komt. Raadsleden besteden slechts 16% van hun tijd aan activiteiten met een extern karakter. Ook verkeren veel raadsleden in de veronderstelling dat zij niet alleen formeel maar ook in de praktijk de gemeente besturen, de facto deelt het college vaak de lakens uit. Dit leidt zowel bij de raad als bij het college tot onjuiste percepties over de eigen rol en over die van het andere bestuursorgaan. De raad neemt onvoldoende afstand van het bestuurlijke handwerk en heeft onvoldoende tijd voor andere werkzaamheden: controle op het college en contacten met burgers en maatschappelijke organisaties. Vanwege zijn grote informatievoorsprong, de beschikbaarheid van een ambtelijke organisatie en tijd is het bovendien het college dat vrijwel altijd aan het langste eind trekt als het gaat om de concrete invulling van de gemeentelijke bestuurstaak.

De paradox is kortom dat de raad formeel gezien als hoogste orgaan van de gemeente almachtig is, maar in de praktijk veelal zijn bestuurlijke functie noch zijn controlerende functie kan waarmaken. De raad blijft daardoor in zijn positiebepaling hinken op twee gedachten. Dat is bedreigend voor de vitaliteit en herkenbaarheid van de lokale democratie, waarvan de raad als rechtstreeks door de bevolking gekozen orgaan de spil zou moeten zijn. De invoering van een dualistisch bestuursmodel zal, zo meent de regering, aan dit dilemma een einde maken en duidelijkheid scheppen over de te onderscheiden functies en de daaruit voortvloeiende rolverdeling tussen de raad en het college. De lokale democratie zal daardoor aan vitaliteit en herkenbaarheid kunnen winnen.

De dualisering krijgt vorm door de ontvlechting van raad en college. Deze scheiding betreft posities, functies en bevoegdheden. De ontvlechting van posities krijgt vorm door het scheiden van het raadslidmaatschap en het wethoudersschap. Dit leidt er onder meer toe dat de wethouder zichzelf als dagelijks bestuurder niet meer hoeft te controleren omdat hij geen raadslid meer is. De ontvlechting van functies houdt in dat de raad zich gaat concentreren op vertegenwoordiging, kaderstelling en controle, terwijl het college het bestuur voor zijn rekening neemt. De kaderstellende functie van de raad wordt ondersteund door een versterking van verordenende en budgettaire bevoegdheden. De raad krijgt verder een aantal nieuwe instrumenten om zijn controlerende rol waar te kunnen maken. De bestuursbevoegdheden uit de Gemeentewet en de medebewindswetgeving worden aan het college toegedeeld. De scheiding van posities en bevoegdheden leidt tot een rolverduidelijking tussen de gemeentelijke bestuursorganen, die zowel extern als intern positieve effecten zal hebben. De transparantie wordt vergroot en de verhoudingen tussen de bestuursorganen worden verduidelijkt.

De wetswijzigingen brengen zoals gezegd veranderingen aan in de structuur. Dat is echter onvoldoende om een echte vernieuwing tot stand te brengen. Om dit te bereiken is ook een verandering van de cultuur nodig. Bestuurders moeten zich realiseren welke rolopvatting voor hen het best in een dualistisch stelsel past en daar ook naar handelen.

3. Ontvlechting raadslidmaatschap en wethouderschap

3. Ontvlechting raadslidmaatschap en wethouderschap

  • 3.1 Algemeen
  • 3.2 Wethouders mogen niet langer tegelijkertijd raadslid zijn
  • 3.3 De wethouder van buiten de raad
  • 3.4 De wethouder van buiten de gemeente
  • 3.5 Wethouders mogen niet langer lid van een raadscommissie zijn

3.1 Algemeen
De ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap is de kern van de dualisering van het gemeentebestuur. Het uit elkaar trekken van beide functies moet namelijk leiden tot een aanzienlijke verduidelijking van de rollen van zowel het raadslid als de wethouder. Deze ontvlechting krijgt op drie manieren gestalte:

  1. door het wethouderschap onverenigbaar te verklaren met het raadslidmaatschap (art.13, eerste lid en 36b, eerste lid);
  2. door het verbod voor wethouders (en de burgemeester) om nog langer lid van raadscommissies te zijn (art. 82, tweede lid);
  3. door het verbod voor collegeleden om lid te zijn van bestuurs- en andere commissies die door de raad zijn ingesteld en omgekeerd (art. 83, tweede lid en 84, tweede lid).

In het verlengde van de ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap zijn er nog enkele andere aspecten die aandacht behoeven. Het gaat dan om de wethouder van buiten de raad, de wethouder van buiten de gemeente en enkele punten die verband houden met een voor deze ontvlechting wenselijke cultuuromslag.

3.2 Wethouders mogen niet langer tegelijkertijd raadslid zijn
Wettelijke voorschriften

De nieuwe regeling is op dit punt glashelder: raadsleden mogen niet langer ook wethouder zijn en omgekeerd (art. 13, eerste lid, 36b, eerste lid). Als een raadslid tot wethouder wordt benoemd en hij die benoeming aanvaardt, dan verliest hij van rechtswege zijn raadslidmaatschap (art. X 1 Kieswet jo. art.13, eerste lid Gemeentewet). De ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap vergt dus geen specifieke actie van de raad. De aldus ontstane vacature wordt vervuld volgens de regels in de Kieswet omtrent lijstopvolging (hoofdstuk W). Als een wethouder tussentijds aftreedt kan hij overigens niet automatisch aanspraak maken op een raadszetel, ook niet als hij wel in de raad gekozen was bij de verkiezingen. Meer informatie over de procedure rondom de installatie van de nieuwe gekozen gemeenteraad en de benoeming van de wethouders vindt u in hoofdstuk 10.

Ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap vergt dus geen specifieke actie van de raad.

Op deze onverenigbaarheid van de functies van raadslid en wethouder bestaan twee uitzonderingen. Voor de periode direct na de raadsverkiezingen tot het aftreden van de "oude" wethouders, mag een "oude" wethouder die is gekozen als raadslid, tegelijkertijd demissionair wethouder zijn. Overigens mag ook de "oude" wethouder, die niet is herkozen tot raadslid, aanblijven tot zijn opvolger in de raad is benoemd. Ook in de periode direct na benoeming van een ("nieuwe") wethouder totdat zijn opvolger is benoemd blijft deze reeds benoemde wethouder tijdelijk tevens raadslid.

De ontkoppeling van het wethouderschap van het raadslidmaatschap brengt met zich dat bepaalde regels die nu voor raadsleden (en dus ook voor wethouders) gelden, expliciet van toepassing worden verklaard op wethouders. Voor een deel leidt dat tot iets andere voorschriften. Daarbij gaat het om:

  1. Het afleggen van de eed of belofte (art. 41a); nieuwe wethouders, ook als zij op het moment van hun benoeming raadslid zijn, moeten in handen van de voorzitter van de raad de eed of belofte voor wethouders afleggen;
  2. Het verbod op nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het wethouderschap, alsmede de verplichting alle nevenfuncties vooraf bij de raad aan te melden en vervolgens openbaar te maken. De raad is als controleur verantwoordelijk voor de naleving van de aanmelding, de openbaarmaking en de beoordeling van welke nevenfuncties ongewenst zijn (art. 41b jo 12, De nieuwe regeling inzake nevenfuncties gaat verder dan de oude, waarin alleen openbaarmaking verplicht was).
  3. Verder wordt voor wethouders, net als voor de raadsleden en de burgemeester, een gedragscode ingevoerd. De raad dient deze vast te stellen (art. 41c jo 15); Deze gedragscode moet een jaar na de inwerkingtreding van de wet zijn vastgesteld (de raad kan deze termijn met een jaar verlengen) . Eerdere inwerkingtreding is uiteraard toegestaan en ook wenselijk. U kunt daarvoor gebruik maken van het model dat is verschenen in het boek Integriteit van bestuurders bij gemeenten en provincies (Rtf-bestand, 250 kb; boek is te verkrijgen bij de VNG-uitgeverij, ISBN: 9032271725).

Flankerend beleid

De doelstellingen van de ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap kunnen niet alleen door middel van formele regels worden gerealiseerd. Ook verandering van de politiek-bestuurlijke cultuur op dat vlak is nodig om dualisme in de bestuurspraktijk vorm en inhoud te geven. Veel hangt af van de attitude van zowel raadsleden als wethouders ten aanzien van hun eigen rolvervulling. Hieraan is in de Profielschets voor fractie, raadslid en wethouder in een dualistisch stelsel al de nodige aandacht besteed. In deze handreiking kan daarom met een enkele beknopte suggestie worden volstaan:

  1. Bij de rekrutering en selectie van kandidaten voor het raadslidmaatschap en het wethouderschap houden de politieke partijen rekening met de gewijzigde profielen van beide functies. In een dualistisch stelsel past bijvoorbeeld ook dat de politiek leider van een partij in de raad blijft zitten en dat anderen het wethouderschap gaan vervullen.
  2. Als men kandidaat-wethouders gaat selecteren, is het wenselijk zich te realiseren dat deze ook van buiten de raad mogen worden aangetrokken. Wethouders van buiten de gemeente zullen zich wel binnen een jaar na aantreden in de gemeenten moeten vestigen.
  3. Fracties die verwachten dat ze wethouders zullen leveren, zouden zich tijdig moeten bezinnen op de vraag hoe intensief de relatie tussen fractie en wethouder(s) dient te zijn. Een belangrijk aspect daarbij is de aanwezigheid van wethouders in de fractievergadering. Die aanwezigheid is niet langer vanzelfsprekend als wethouders niet langer tegelijkertijd raadslid zijn.
  4. Ook het collegeprogramma vraagt in gedualiseerde verhoudingen nadere overweging. De vraag is hoe gedetailleerd een dergelijk programma kan zijn, wil de gehele raad, dus ook de collegefracties, voldoende zelfstandig ten opzichte van het college kunnen opereren. Ook kan men zich afvragen of collegefracties zich überhaupt moeten binden aan een collegeprogramma. Het is denkbaar dat een dergelijk programma alleen het college bindt. Dit laatste impliceert dat alleen de collegeleden, inclusief de burgemeester, het collegeprogramma ondertekenen en niet langer de voorzitters van de collegefracties.

3.3 De wethouder van buiten de raad
De ontkoppeling van het wethouderschap en het raadslidmaatschap maakt het voor de raad mogelijk personen van buiten de raad tot wethouder te benoemen. De benoemingsvereisten zijn in principe dezelfde als voor raadsleden (art. 36a, eerste lid). De naleving van deze benoemingsvereisten is zowel een verantwoordelijkheid van de te benoemen wethouder als van de benoemende instantie, de raad. Zoals al is opgemerkt, verdient het aanbeveling dat partijen die mogelijk na de raadsverkiezingen in de positie zouden kunnen komen om collegeverantwoordelijkheid te gaan dragen, zichzelf de vraag stellen of zij eventueel kandidaten van buiten de raad naar voren willen schuiven voor het wethouderschap. Het is immers denkbaar dat geschikte kandidaten wel beschikbaar willen zijn voor het wethouderschap, maar niet voor het raadslidmaatschap (Zie hiervoor ook de Profielschets voor fractie, raadslid en wethouder in een dualistisch bestel; VNG-uitgeverij ISBN: 9032271725).

De wethouder van buiten kan een aantal verschillende achtergronden hebben. Ten eerste kan een wethouder wel op een lijst voor de raadsverkiezingen hebben gestaan maar op een onverkiesbare plaats, ten tweede kan hij niet op een lijst hebben gestaan maar binnen de gemeente wonen en ten derde kan de wethouder van buiten de gemeente afkomstig zijn en daardoor niet op een lijst gestaan kunnen hebben. In dit laatste geval moet hij overigens wel binnen een jaar in de gemeente gaan wonen (artikel 36a, tweede lid). De raad kan namelijk voor maximaal een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap.

Bij de kandidaatstelling voor de verkiezingen van 6 maart 2002 moet wel rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de Wet dualisering gemeentebestuur onverhoopt niet in werking treedt op 7 maart 2002. Om die reden lijkt het verstandig voor partijen om voor deze verkiezingen de beoogde wethouders wel op een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst te zetten.

3.4 De wethouder van buiten de gemeente
Eén van de formele vereisten voor het wethouderschap is in de monistische Gemeentewet het ingezetenschap van de gemeente. Dit vereiste vloeit direct voort uit de verwevenheid van het wethouderschap met het raadslidmaatschap. Aan deze verwevenheid wordt een eind gemaakt. In dit kader maakt de wet het mogelijk dat om wethouders van buiten de gemeente te benoemen. Daardoor is het ook mogelijk dat - voorafgaand aan de benoeming van de wethouder - de raad voor maximaal een jaar besluit ontheffing te verlenen van het vereiste van ingezetenschap. Weigert de raad deze ontheffing te verlenen, dan kan de desbetreffende kandidaat niet worden benoemd. Wethouders die reeds benoemd zijn en een jaar voor het moment van aftreden willen verhuizen naar een woonplaats buiten de eigen gemeente, moeten vooraf aan de raad om ontheffing van het woonplaatsvereiste vragen. Verleent de raad die ontheffing niet, dan moet de wethouder aftreden of niet verhuizen. Overigens mag iemand in niet meer dan één gemeente tegelijk wethouder zijn (art. 36a, derde lid).

3.5 Wethouders mogen niet langer lid van een raadscommissie zijn
Wethouders en ook de burgemeester mogen niet langer lid (en dus ook geen voorzitter) van een raadscommissie zijn (art. 82, tweede lid). Dit betekent uiteraard niet dat collegeleden niet aanwezig mogen zijn in vergaderingen van raadscommissies. Omdat overleg met het college één van hoofdtaken van raadscommissies is, maakt dat hun aanwezigheid vaak zelfs noodzakelijk voor een goed functioneren van deze commissies. Dit betekent echter niet dat collegeleden per definitie aan de beraadslagingen in de commissie kunnen deelnemen. Net als voor vergaderingen van de raad geldt hier dat de commissie collegeleden uitnodigt om aan de beraadslagingen deel te nemen (art. 82, vijfde lid in samenhang met art. 21, tweede lid). Als een commissie besluit in beslotenheid te vergaderen, dan mogen de daartoe uitgenodigde collegeleden daaraan deelnemen. Als collegeleden niet zijn uitgenodigd voor deelname, mogen zij uiteraard als toehoorder de commissievergadering bijwonen, tenzij de vergadering in beslotenheid plaatsvindt. Naar verwachting zal een veelgekozen optie zijn dat wethouders normaal gesproken verwacht worden, tenzij de raadscommissie aangeeft dat niet op prijs te stellen.

4. Het commissiestelsel

4. Het commissiestelsel

  • 4.1 Dualisering
  • 4.2 Raadscommissies
  • 4.3 Bestuurscommissies
  • 4.4 Onderzoekscommissies
  • 4.5 Andere commissies

4.1 Dualisering
Als gevolg van de dualisering wordt het commissiestelsel gewijzigd. Eén van de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het huidige stelsel betreft het aanbrengen van een expliciet onderscheid tussen diverse soorten commissies. Dit onderscheid bestaat in de praktijk overigens vaak al. Uitgangspunt in het nieuwe stelsel is dat de raad, het college en de burgemeester hun eigen commissies instellen en dat collegeleden geen lid meer zijn van commissies die door de raad zijn ingesteld en andersom.
Ten aanzien van de bezwaarschriftencommissie zal in het voorstel voor de Aanpassings-en Correctiewet alsnog worden voorzien in een uitzondering op die regel. Daardoor blijft het mogelijk dat raadsleden lid zijn van een commissie die adviseert over tegen collegebesluiten ingediende bezwaarschriften.

In deze paragraaf worden alle soorten commissies behandeld. Achtereenvolgens komen aan de orde: de raadscommissies, de bestuurscommissies, de onderzoekscommissies en de andere commissies. De deelgemeenten worden straks, duidelijker dan in de huidige Gemeentewet, als een afzonderlijke categorie benoemd en niet meer als een commissie beschouwd. Het deelgemeentebestuur wordt evenals het gemeentebestuur gedualiseerd. Hierover is inmiddels een afzonderlijke 'Handreiking Dualisering van deelgemeentebesturen' verschenen.

 

4.2 Raadscommissies
Taken

Een raadscommissie is een gedualiseerde versie van de huidige commissie van advies (en bijstand) aan het college of aan de burgemeester. Deze benaming geeft duidelijk de monistische context aan waarbinnen veel raadscommissies in het huidige stelsel opereren. De raadscommissies-nieuwe stijl hebben twee wettelijke taken:
a. voorbereiding van besluitvorming van de raad;
b. overleg met het college respectievelijk de burgemeester (art. 82, eerste lid).

Hoewel deze formulering op het eerste gezicht doet vermoeden dat de positie van de raadscommissies ongewijzigd blijft, moet worden bedacht dat in het dualistisch stelsel de functie van raadscommissies in essentie dezelfde is als die van de plenaire raad: die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend lichaam. Met andere woorden: de andere functie van de raad werkt door in de feitelijke invulling van de voorbereiding van de besluitvorming van de raad en in de feitelijke invulling van de inzet van het overleg met het college respectievelijk de burgemeester. Dit overleg dient niet gericht te zijn op het creëren van medeverantwoordelijkheid voor bestuursbeslissingen, maar op kaderstelling en controle door de raad en het afleggen van verantwoording door het college.

Instelling van raadscommissies

Tegelijk met de instelling van één of meer raadscommissies moet de raad de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van deze commissie(s) verder regelen (art. 82, eerste lid, tweede volzin). Doorgaans gebeurt dit aan het begin van een nieuwe raadsperiode. Een dualiserend element daarbij kan zijn om de indeling van de commissies af te laten wijken van de portefeuilleverdeling van het college, om ook op die manier de inhoudelijke vervlechting aan te pakken en de raad een onafhankelijke positie te geven. De huidige commissies van advies en bijstand dienen op 14-3-2002, de dag waarop de nieuwe raad voor het eerst bijeen moet komen, omgevormd te zijn in de raadscommissies-nieuwe stijl.

Samenstelling en voorzitterschap

De raad benoemt de leden van de raadscommissies. Collegeleden mogen geen lid zijn (art. 82, tweede lid). Andere niet-raadsleden mogen wel tot lid van een raadscommissie worden benoemd. Daarbij zal het in de praktijk - net als nu het geval is - vaak om vertegenwoordigers van kleinere fracties gaan, dikwijls lijstopvolgers. Het lidmaatschap van niet-raadsleden is één van de zaken die de raad bij de instelling van de nieuwe raadscommissies nader kan regelen.

De voorzitter van een raadscommissie moet een raadslid zijn (art. 82, vierde lid). De voorzitter zal namelijk in de praktijk de agenda in belangrijke mate bepalen. Juist in gedualiseerde verhoudingen is het van groot belang dat de raad en de raadscommissies hun eigen agenda, ook materieel, vaststellen. Vanwege het evidente politieke karakter van deze taak is het niet toegestaan dat een niet-raadslid het voorzitterschap van een raadscommissie vervult. Wel is er voor gemeenten uiteraard de keuzemogelijkheid om een raadslid uit of van buiten de desbetreffende commissie met het voorzitterschap te belasten.

De commissievoorzitter wordt bij de uitoefening van zijn taak veelal bijgestaan door een ambtelijk secretaris. Het is zaak dat de raad in een gedualiseerd bestel de positie van deze secretaris goed regelt. Omdat de secretaris de controlerende taak van de commissie ten opzichte van het college en individuele collegeleden faciliteert, kunnen er spanningen ontstaan als dezelfde persoon ook in de reguliere ambtelijke organisatie voor datzelfde college en datzelfde collegelid werkzaam is. Het verdient daarom aanbeveling dat de ambtelijke secretarissen van de raadscommissies deel uitmaken van de raadsgriffie. Als hiervoor niet wordt gekozen, is het in ieder geval nodig dat de raad de positie van de ambtelijk secretarissen in de ambtelijke organisatie goed regelt in bijvoorbeeld de verordening op de ambtelijke bijstand.

De nieuwe bepalingen inzake raadscommissies treden ook op 7 maart 2002 in werking. De commissies van advies en bijstand kunnen in de periode tussen de verkiezingen en de eerste samenkomst van de nieuwe raad echter nog blijven functioneren (artikel VIII). De raad stelt dan uiterlijk in zijn eerste vergadering op 14 maart 2002 de nieuwe raadscommissies in.

 

4.3 Bestuurscommissies
Instelling van bestuurscommissies en overdracht van bevoegdheden daaraan

Een bestuurscommissie is een commissie waaraan bevoegdheden van de raad, het college of de burgemeester zijn overgedragen. Hieruit volgt dat elk van deze drie bestuursorganen eigen bestuurscommissies kan instellen en daaraan bevoegdheden kan delegeren (art. 83, eerste lid en de artt. 156, 165 en 178). Een voorbeeld van een dergelijk commissie zijn drie wethouders en drie burgers die verantwoordelijk zijn voor een integrale benadering van het veiligheidsbeleid rond een station. Uitsluitend eigen bevoegdheden van het college kunnen worden overgedragen aan een dergelijke commissie. Sub- of doordelegatie van een bevoegdheid die door de raad aan het college is gedelegeerd, aan een bestuurscommissie is niet toegestaan. Wel kunnen overgedragen bevoegdheden worden gemandateerd (De gemandateerde bevoegdheden worden in naam en onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan dat heeft gemandateerd, uitgeoefend), als daarvoor toestemming is verleend door het delegerend orgaan. Mandatering is niet mogelijk als wettelijk voorschriften of de aard van de bevoegdheid zich ertegen verzet.

Samenstelling van bestuurscommissies

Aan het lidmaatschap van een bestuurscommissie zijn geen specifieke vereisten verbonden, behalve dat raadsleden geen lid mogen zijn van een door het college of de burgemeester ingestelde bestuurscommissie en omgekeerd (art. 83, tweede lid).

Toezicht op bestuurscommissies

Over de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheden is de bestuurscommissie uitsluitend verantwoording schuldig aan het orgaan dat haar heeft ingesteld. Dit orgaan, dat wil zeggen de raad, het college of de burgemeester, moet hierover regels stellen (art. 85, eerste lid). Het college en de burgemeester zijn op hun beurt wel verantwoording schuldig aan de raad over de wijze waarop hun bestuurscommissies bevoegdheden uitoefenen. Raad, college en burgemeester zijn verder bevoegd om besluiten en andere, niet schriftelijke, beslissingen gericht op enig rechtsgevolg van een door hem ingestelde bestuurscommissie te vernietigen (art. 85, derde lid).

Als de aard en omvang van de overgedragen bevoegdheden dat nodig maken, dient het orgaan dat de bestuurscommissie instelt, regels te stellen over andere vormen van toezicht, bijvoorbeeld goedkeuring van beslissingen van de commissie. Goedkeuring kan overigens slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang (art. 85, tweede lid).

Overgangsrecht

Gemeenten hebben twee jaar de tijd om een aantal onderdelen van hun bestuurscommissiestelsel aan te passen aan de nieuwe wettelijke regeling. De bestaande bestuurscommissies kunnen vanaf 7 maart 2002 dus nog twee jaar functioneren (art. VII). De omvang en het karakter van de bevoegdheden van deze commissies kunnen echter in die periode niet worden aangepast. Die twee jaar kunnen gemeenten gebruiken om commissieverordeningen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de gedualiseerde Gemeentewet, bijvoorbeeld ten aanzien de verantwoording van, het toezicht op en de samenstelling van de bestuurscommissies. Nieuwe bestuurscommissies kunnen na 7 maart 2002 alleen conform de nieuwe gedualiseerde Gemeentewet worden ingesteld.


4.4 Onderzoekscommissies
Uitleg over de instelling, samenstelling en bevoegdheden van deze commissie is te vinden in paragraaf 5.8.


4.5 Andere commissies

Dit zijn voornamelijk adviescommissies. Commissies die het college, de burgemeester of de raad adviseren. Het kan hierbij zowel territoriale als functionele commissies betreffen, die de verschillende organen adviseren ten aanzien van respectievelijk een bepaald gebied of een bepaald beleidsterrein. Deze commissies kunnen door het orgaan worden ingesteld, waaraan wordt geadviseerd. Raad, college en burgemeester stellen hun eigen commissies in (art. 84, eerste lid). Ook voor deze commissies geldt dat raadsleden geen zitting mogen nemen in commissies die door het college zijn ingesteld en andersom. Ten aanzien van de bezwaarschriftencommissie zal in het voorstel voor de Aanpassings-en Correctiewet worden voorzien in een uitzondering op die regel. Daardoor blijft het mogelijk dat raadsleden lid zijn van een commissie die adviseert over tegen collegebesluiten ingediende bezwaarschriften.

5. Versterking van verordenende en controlerende bevoegdheden van de raad

5. Versterking van verordenende en controlerende bevoegdheden van de raad

  • 5.1  Algemeen
  • 5.2  Recht van initiatief
  • 5.3  Recht van amendement
  • 5.4  Recht op ambtelijke bijstand
  • 5.5  Vragenrecht
  • 5.6  Recht van interpellatie
  • 5.7  Politieke verantwoording
  • 5.8  Recht van onderzoek (enquête)
  • 5.9  Gedragscodes
  • 5.10 Afschaffing bevoegdhei
  • 5.11 Schrappen mogelijkheid van beroep op de raad
  • 5.12 Agendabepaling
  • 5.13 Rekenkamerfunctie

5.1 Algemeen
Een belangrijk doel van de dualiseringsoperatie is de versterking van de volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende functies van de raad. Deze versterking heeft met name vorm gekregen in een aantal nieuwe wettelijke bevoegdheden van de raad. Voor een deel betreft het hier nieuwe bevoegdheden (bijvoorbeeld het onderzoeksrecht). Deels zijn het in de meeste gemeenten al bestaande bevoegdheden die nu zonder drempelsteun voor de raad en de raadsleden wettelijk worden verankerd.

Voorzover gemeenten in hun reglementen van orde en andere eigen regelgeving bepalingen hebben opgenomen, die deze bevoegdheden betreffen, vervallen de bedoelde bepalingen van rechtswege op het moment van inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur. Het verdient daarom aanbeveling dat tijdig wordt begonnen met de voorbereiding van deze herziening van gemeentelijke regels. Rond de jaarwisseling en in de periode daarna verschijnen in het kader van de Vernieuwingsimpuls diverse handreikingen die u daarbij kunnen ondersteunen.

5.2 Recht van initiatief van ieder raadslid
Over het wettelijk recht van initiatief (art. 147a, eerste lid) en de meer praktische aspecten van dit recht is een afzonderlijke handreiking Initiatiefvoorstellen: wanneer en hoe? (VNG-uitgeverij ISBN: 9032271814). verschenen. Dit onderwerp blijft hier daarom buiten beschouwing.

Op deze plaats moet echter wel worden gewezen op de verplichting voor de raad te regelen op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld en op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen in behandeling moeten worden genomen (art. 147a, tweede en derde lid). Deze regeling dient binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur tot stand te komen. Het ligt voor de hand deze regeling op te nemen in het reglement van orde. De op zeer korte termijn uit te brengen handreiking voor een modelreglement van orde in een dualistisch stelsel zal dan ook een model voor deze regeling bevatten. Het gaat dan bijvoorbeeld om de wijze van indiening, agendering en behandeling.

5.3 Recht van amendement van ieder raadslid
Het recht van amendement wordt aan elk individueel raadslid toegekend (art. 147b). Dat wil zeggen dat niet langer drempels (bijvoorbeeld een bepaald minimumaantal handtekeningen van raadsleden onder een amendement) zijn toegestaan. Alle ontwerpbeslissingen en ontwerpverordeningen die zijn geagendeerd voor raadsvergaderingen, kunnen worden geamendeerd.

De raad moet in zijn reglement van orde nadere procedurele regels stellen over de uitoefening van het amendementsrecht (art. 147b, tweede lid). Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de behandeling van sub-amendementen. Ook hierover zullen in de op zeer korte termijn uit te brengen handreiking voor een modelreglement van orde in een dualistisch stelsel voorbeeldregels worden opgenomen.

5.4 Recht op ambtelijke bijstand voor de raad en ieder individueel raadslid
Nieuw is het expliciete recht op ambtelijke bijstand dat aan de raad en aan elk individueel raadslid wordt toegekend (art. 33, eerste lid). Dit wordt zelfs nog nader uitgewerkt door een recht op fractieondersteuning. Beide rechten moeten door de raad verder uitgewerkt worden in een verordening (art. 33, tweede lid). De raad moet deze verordening uiterlijk op 7 maart 2003 vaststellen (art. V, tweede lid). In deze verordening zou de raad kunnen regelen op welke wijze ambtelijke bijstand wordt verleend door de griffier of de ambtelijke organisatie ten behoeve van het opstellen van een initiatiefvoorstel, een amendement of een motie, hoe feitelijke informatie wordt verstrekt en de wijze waarop in het algemeen een verzoek om ambtelijke bijstand wordt gedaan. Ook de rol van de fractieondersteuning die naar verwachting meer politiek van karakter zal zijn moet daarin een plaats krijgen. Daarnaast kan de taakverdeling tussen de griffier en de secretaris nader uitgewerkt worden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat deze verordening het recht op ambtelijke bijstand beperkt. Het gaat nadrukkelijk om een uitwerking van dit recht, waarbij de raad zelf dusdanige regels formuleert die een redelijk gebruik ervan garanderen. Denkbaar is de burgemeester, mede gelet op zijn rol als voorzitter van de raad, een bepaalde verantwoordelijkheid te geven bij het toetsen en vervolgens in de juiste procedurele banen leiden van verzoeken om ambtelijke bijstand. In de handreiking over ambtelijke ondersteuning voor de raad die begin 2002 zal verschijnen wordt nader ingegaan op de inhoud van deze verordening.

Voor de effectuering van het recht op ambtelijke bijstand in formele zin is het nodig dat de ambtelijke ondersteuning ook feitelijk beschikbaar is. Dat wil zeggen dat in de ambtelijke organisatie en in de griffie hiervoor capaciteit wordt vrijgemaakt. De raad kan in de begroting ruimte voor deze capaciteit creëren.
Daarnaast kan de raad uiteraard op de begroting middelen vrij maken voor specifieke vormen van ondersteuning als fractie-ondersteuning en het inhuren van contra-expertise. Op grond van artikel 155f is het college verplicht de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek ex. art. 155a in de begroting voor het desbetreffende jaar op te nemen.

5.5 Mondeling en schriftelijk vragenrecht van ieder raadslid/inlichtingenplicht college
Het vragenrecht van individuele raadsleden wordt eveneens wettelijk verankerd (art. 155, eerste lid). Het gaat hierbij zowel om mondelinge als schriftelijke vragen gericht aan het college of de burgemeester, ieder voorzover het gaat om hun eigen bevoegdheden.

Het is aan de raad zelf om dit vragenrecht verder uit te werken. Het mondelinge vragenrecht kan bijvoorbeeld onder meer gestalte krijgen door middel van een vragenuur, bijvoorbeeld tijdens de raadsvergadering. Daarnaast kan op de agenda voor de verschillende raadscommissies het punt "rondvraag aan het college" worden opgenomen, hetgeen gelegenheid geeft afzonderlijke portefeuillehouders vragen te stellen. Een en ander dient de raad in het reglement van orde te regelen. Dat laatste geldt ook voor het schriftelijke vragenrecht. In het reglement van orde kan de raad procedurele regels over de uitoefening van dit recht stellen, bijvoorbeeld over de termijn van beantwoording. Ook hierover vindt u in de eerdergenoemde handreiking over een gedualiseerd reglement van orde, modelbepalingen.

Complementair aan het vragenrecht van de raad is de inlichtingenplicht van het college en de burgemeester (respectievelijk art. 169, tweede tot en met vierde lid, en 180, tweede tot en met vierde lid). Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de passieve en de actieve inlichtingenplicht van het college jegens de raad. De passieve inlichtingenplicht bestaat nu ook al en behelst het op verzoek van een raadslid verstrekken van inlichtingen (artt. 169, derde lid en 180, derde lid). Nieuw is de actieve inlichtingenplicht. Het college moet uit zichzelf de raad alle inlichtingen verstrekken die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft (artt. 169, tweede lid en 180, tweede lid). De concrete invulling van deze bepaling kan variëren afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, raad en college moeten afspraken maken over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan deze plicht, niet alleen qua frequentie maar ook qua vorm.Globaal zijn er drie mogelijkheden voor het college om aan deze verplichting te voldoen:

  1. Het college geeft de raad (of de raadscommissies) zeer veel informatie (meer nog dan nu het geval is) over de wijze waarop het zijn bestuursbevoegdheden uitoefent. Het zal duidelijk zijn dat op die manier de raad zijn controlerende functie niet goed kan vervullen en het risico bestaat dat de neiging ontstaat om op de stoel van het college te gaan zitten.
  2. Het college weegt van geval tot geval af of het nodig is de raad te informeren. Hoewel deze aanpak op zich goed past in een gedualiseerd bestel, is het voorstelbaar dat vanwege de specifieke aard van het gemeentebestuur of politieke relevantie de raad meer inzicht wil in de beleidsvoering door het college.
  3. Tot slot is er een middenweg denkbaar, die in veel opzichten aan te bevelen is. Op deze manier wordt de raad niet overspoeld door informatie, terwijl anderzijds redelijk gewaarborgd is dat hij de voor een effectieve controle noodzakelijke informatie ontvangt. Deze aanpak behelst het volgende. In die gevallen dat het buiten kijf staat dat de raad moet worden geïnformeerd, draagt het college daarvoor zorg door middel van toezending van de desbetreffende informatie. Criteria daarvoor kunnen zijn politieke relevantie, vermelding in beleidsagenda/raadsprogramma of eerdere besprekingen. Daarnaast geeft het college globaal inzicht in zijn activiteiten, onder meer door de raad de agenda's en de besluitenlijsten van collegevergaderingen toe te zenden. Voorts kan het college belangrijke stukken op het intra- of internet (indien aanwezig) zetten, opdat geïnteresseerde raadsleden (en burgers) deze kunnen raadplegen. Vervolgens kunnen raadsleden om agendering in een raadscommissie of de raad vragen, waarbij het college verantwoording kan afleggen. In gemeenten die kiezen voor een burgerinitiatief (VNG-uitgeverij ISBN 9032271652), kunnen ook burgers onderwerpen agenderen.

Ook de vorm en een beperking van de hoeveelheid van informatie kunnen raadsleden helpen bij het vervullen van hun taken. Bondige strategische informatie eerst en eventuele details daarna lijkt een goede opzet voor het aanbieden van informatie. De griffier en de burgemeester kunnen een rol spelen bij het toezicht op de implementatie van afspraken over de informatievoorziening.

5.6 Recht van interpellatie
In het verlengde van het vragenrecht beschikt de raad ook over het recht van interpellatie. Dit recht is nu soms in het reglement van orde van de raad geregeld. Dit recht wordt volgens de nieuwe Gemeentewet op hoofdlijnen verankerd (art. 155, tweede lid). Elk individueel raadslid kan verzoeken om een interpellatie. De raad als geheel beslist echter of hij de interpellatie toestaat.

De verdere procedurele uitwerking moet door de raad zelf gebeuren (art. 155, tweede lid, tweede volzin). Het reglement van orde is hiervoor de aangewezen plaats. De bedoelde uitwerking moet plaatsvinden voor 7 maart 2003 (art. V, tweede lid). In de op korte termijn uit te brengen handreiking voor een modelreglement van orde in een dualistisch stelsel zal ook hiervoor een modelregeling worden opgenomen.

5.7 Politieke verantwoording, vertrouwensregel en politiek ontslag
De aangescherpte inlichtingenplicht van het college moet worden gezien in het perspectief van zijn verantwoordingsplicht ten opzichte van de raad. Om deze verantwoordingsplicht kracht bij te zetten is net als in de oude Gemeentewet voorzien in de mogelijkheid voor de raad om een wethouder die niet langer het vertrouwen van de raad geniet, te ontslaan. Ten aanzien van deze mogelijkheid van politiek ontslag bevat de nieuwe Gemeentewet een tweetal wijzigingen:

  1. De mogelijkheid voor ontslagen wethouders om tegen het ontslagbesluit beroep aan te tekenen bij de bestuursrechter wordt afgeschaft (art. 49). Dit betekent dat de ontalgen wethouder alleen nog terecht kan bij de burgerlijk rechter. Deze kan echter niet treden in een beoordeling van de gronden voor het ontslag. Wel kan de burgerlijk rechter toetsen of de procedure zorgvuldig is verlopen en als dit niet het geval is bijvoorbeeld voorzien in een schadevergoeding.
  2. De in de oude Gemeentewet (art. 50) vastgelegde "afkoelingsperiode" tussen het voornemen om een wethouder te ontslaan en het ontslagbesluit wordt afgeschaft. Dat wil zeggen de raad als hij een motie van wantrouwen tegen een wethouder heeft aangenomen en deze vervolgens niet uit zichzelf ontslag neemt, hem onmiddellijk kan ontslaan (art. 49). Let wel: de nieuwe regeling houdt niet in dat de raad in een dergelijk geval niet kan besluiten tot het inlassen van een periode van bezinning; alleen de verplichting daartoe is weggenomen.

5.8 Het recht van onderzoek (enquête)
Wat kan onderwerp zijn van een onderzoek?

Een belangrijk nieuw controle-instrument van de raad is het recht van onderzoek (enquête). Het onderzoek kan zich uitstrekken tot het gehele door het college of de burgemeester gevoerde bestuur (art. 155a, eerste lid). In het besluit van de raad tot het instellen van een onderzoek moet het te onderzoeken onderwerp worden omschreven. Zaken die buiten deze omschrijving vallen, mogen dus niet worden onderzocht met gebruikmaking van de dwangmiddelen. Dit is vooral van belang voor degenen die verplicht zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek. Zij moeten weten waartoe die verplichting zich uitstrekt. Soms zal echter, bijvoorbeeld op grond van de eerste onderzoeksresultaten, de conclusie moeten zijn dat de omschrijving onvoldoende adequaat is. Daarom is het mogelijk dat de raad hangende het onderzoek het onderwerp wijzigt (art. 155a, tweede lid). Verder heeft het aftreden van de raad geen gevolgen voor het werk van de commissie (art.155a, zesde lid).

Wie stelt een onderzoek in?

Elk raadslid kan een voorstel doen om een onderzoek in te stellen. Het is echter de raad die bij gewone meerderheid besluit tot het instellen van een onderzoek (art. 155a, eerste lid). Het onderzoek wordt uitgevoerd door een onderzoekscommissie, waarvan de leden door de raad worden benoemd. Een onderzoekscommissie bestaat uit ten minste drie personen en bestaat uitsluitend uit leden van de raad (art. 155a, derde lid). Collegeleden kunnen vanzelfsprekend geen lid zijn van een onderzoekscommissie (art. 155a, vierde lid). Als de raad een onderzoek wil instellen moet hij daarover in algemene zin vooraf bij verordening regels stellen. Hierin moeten in elk geval regels worden opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend (art. 155a, achtste lid).

Wie moeten medewerking verlenen aan een onderzoek?

Het onderzoek dient zich te beperken tot het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur, daaruit vloeit voort dat alleen personen die van gemeentelijke zijde die direct met dit bestuur te maken hebben of te maken hebben gehad, verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek. Het betreft hier:

  • wethouders en gewezen wethouders;
  • leden van de raad en gewezen leden van de raad;
  • leden van de rekenkamer en gewezen leden van de rekenkamer;
  • burgemeesters en gewezen burgemeesters;
  • ambtenaren en gewezen ambtenaren door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt;
  • leden en gewezen leden van raads- of bestuurscommissies;
  • leden en gewezen leden van een deelraad of dagelijks bestuur van een deelgemeente (art. 155b, eerste lid, en 155c, eerste lid).

Het gaat hierbij om twee verplichtingen. In de eerste plaats moeten de genoemde personen desgevraagd inzage verschaffen in, afschrift laten nemen van of het op een andere manier laten kennisnemen van documenten (ook elektronische), waarover zij beschikken (art. 155b, eerste lid). Als deze documenten echter afkomstig zijn van het Rijk of een instelling van de EU en kennisneming van die bescheiden het belang van de Staat of de EU kan schaden, moet de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toestemming geven voor het gebruik van die bescheiden (art. 155b, tweede lid). Gemeente-ambtenaren moeten daarnaast, op verzoek van de onderzoekscommissie, medewerking verlenen aan het onderzoek (art. 155b, derde lid). Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het opstellen van een overzicht van bij het onderzoek betrokken personen, een inventarisatie van de relevante wet- en regelgeving of een beschrijving van het verloop van een besluitvormingsprocedure.

Verder zijn de hiervoor genoemde personen verplicht te voldoen aan een schriftelijke oproep van de onderzoekscommissie om te verschijnen voor de commissie teneinde als getuige of deskundige door haar te worden gehoord (art. 155c, eerste lid). De commissie kan besluiten hen onder ede te horen (art. 155c, vierde lid). De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, terwijl de deskundigen hun speciale diensten moeten verlenen. Allleen ambts- of beroepsgeheim kan tot verschoning van deze plicht leiden (art. 155e) Als getuigen of deskundigen weigeren te verschijnen kunnen ze op last van de commissie door de politie voor de onderzoekscommissie worden gebracht (art. 155d, tweede lid). Het horen van getuigen en deskundigen vindt in beginsel in het openbaar plaats. De onderzoekscommissie kan uitsluitend om "gewichtige redenen" besluiten een verhoor geheel of gedeeltelijk in beslotenheid af te nemen (art. 155c, zesde lid).

Personen die niet behoren tot de twee in het voorgaande genoemde categorieën, kunnen niet worden verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek. Zij kunnen dit wel op vrijwillige basis doen. Zij kunnen echter niet onder ede worden gehoord noch door de politie voor de onderzoekscommissie worden gebracht.

Wat gebeurt er met de resultaten van een onderzoek?

De onderzoekscommissie zal op enig moment haar werkzaamheden voltooien en de resultaten daarvan neerleggen in een onderzoeksrapport. Zij kan daaraan conclusies en aanbevelingen verbinden. Het is vervolgens aan de raad om te bepalen op welke wijze een dergelijk rapport verder wordt behandeld. Openbare behandeling in een raadsvergadering ligt echter in de lijn van de verwachtingen. Dat geldt zeker als de raad politieke consequenties verbindt aan een onderzoeksrapport.

Hoe wordt een onderzoek gefinancierd?

Een onderzoek kost geld, zeker als externe ondersteuning wordt ingehuurd. Het is denkbaar dat de raad jaarlijks een vast bedrag voor dit doel op de begroting opvoert. Als dit bedrag onvoldoende zou zijn, kan hierin door middel van een tussentijdse begrotingswijziging worden voorzien. Hoe dan ook, het college is verplicht de door de raad geraamde lasten van een onderzoek in de ontwerp-begroting op te nemen (art. 155f).

Andere soorten van onderzoek

Het onderzoek op grond van de artikelen 155a tot en met 155f is een zwaar instrument. De raad kan ook, zoals hij dat nu ook al kan, besluiten tot het instellen van een lichter onderzoek zonder de verplichting om medewerking te verlenen. Een dergelijk onderzoek kan heel goed ad hoc plaatsvinden, dat wil zeggen zonder dat er een verordening aan ten grondslag ligt. Dit onderzoek kan ook door derden worden uitgevoerd, bijvoorbeeld als de raad behoefte heeft aan een second opinionover gecompliceerde beleidsvoornemens van het college. Het verdient aanbeveling voor het inhuren van dit soort contra-expertise een afzonderlijke post op de begroting op te voeren.

De Wet dualisering gemeentebestuur schrijft nog drie andere soorten onderzoek voor. In de eerste plaats is er de aangescherpte accountantscontrole gericht op het beoordelen van de rechtmatigheid van gedane uitgaven (en daarmee van het bijbehorende beleid) (art. 213). Deze controle vindt plaats aan de hand van de jaarrekening. In de tweede plaats voert de gemeentelijke rekenkamerfunctie onderzoeken uit (art. 182). Deze onderzoeksrapportages kunnen de raad aanknopingspunten bieden voor de controle van het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. Zie voor meer informatie ook paragraaf 6.3 Verder komen deze twee vormen van onderzoek uitvoerig aan de orde in de te verschijnen afzonderlijke handreiking voor modellen voor de financiële verordeningen (begin 2002) en inzake de gemeentelijke rekenkamer of rekenkamerfunctie (begin 2002). In de derde plaats schrijft de nieuwe Gemeentewet dwingend onderzoek door het college naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. De raad stelt bij verordening regels vast voor dit onderzoek (art. 213a). Deze regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de frequentie van het onderzoek en de wijze waarop een en ander wordt afgestemd met de gemeentelijke rekenkamerfunctie. De raad moet deze verordening uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur vaststellen, tenzij hij zelf besluit tot verlenging van deze invoeringstermijn met nog eens een jaar (art. V). In de handreiking over de financiële verordeningen (212, 213 en 213a), die begin 2002 zal verschijnen, wordt nader op dit onderwerp ingegaan.

5.9 Gedragscodes
De raad moet gedragscodes voor zichzelf, de wethouders en de burgemeester vaststellen (artt. 15, derde lid, 41c, tweede lid en 69, tweede lid). Door deze gedragcodes verschaft de raad zich een extra instrument voor zijn controle op het college en de burgemeester. De codes zijn gericht op het waarborgen van de integriteit van raadsleden, wethouders en burgemeesters. In een code kunnen bepalingen worden opgenomen over bijvoorbeeld:

  • declaratiegedrag;
  • gebruik van gemeentelijke voorzieningen voor privé-doeleinden;
  • minder geschikte nevenfuncties;
  • het aannemen van geschenken.

De gedragscodes moeten uiterlijk 7 maart 2003 door de raad worden vastgesteld, tenzij de raad beslist deze invoeringstermijn met een jaar te verlengen. In de publicatie "Integriteit van bestuurders in gemeenten en provincie " zijn modelgedragscodes te vinden (VNG-uitgeverij ISBN: 9032271679).


5.10 Afschaffing bevoegdheid bij verordening beleidsregels te stellen over de uitoefening van medebewindsbevoegdheden door het college

In artikel 148 van de oude Gemeentewet was bepaald dat de raad bij verordening beleidsregels kan stellen over de uitoefening van aan het college of de burgemeester toegekende medebewindsbevoegdheden. Deze bepaling wordt uit de wet geschrapt.

De raad kan echter - zoals nu vaak ook het geval is - ad hoc, bijvoorbeeld door het bespreken van beleidsnota's van het college of het aannemen van moties, wel degelijk invloed uitoefenen op het collegebeleid, ook daar waar het de uitoefening van medebewindsbevoegdheden betreft. Die invloedsmogelijkheden zijn echter politiek van karakter. Overigens zal het in te dienen wetsvoorstel dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden tot een aanzienlijke toename van de medebewindsbevoegdheden van het college leiden.


5.11 Schrappen mogelijkheid van beroep op de raad
Artikel 152 van de oude Gemeentewet biedt de raad de mogelijkheid om bij verordening beroep op zichzelf open te stellen tegen krachtens deze verordening genomen besluiten van het college of de burgemeester. Een dergelijke mogelijkheid van bestuurlijke heroverweging door de raad van collegebesluiten past niet in een gedualiseerd stelsel en wordt daarom afgeschaft. Dit betekent dat alle gemeentelijke verordeningen die in een dergelijke beroepsmogelijkheid voorzien voor 7 maart 2002 aangepast moeten worden.


5.12 Wie bepaalt de agenda van de raad?
De monistische Gemeentewet kent geen expliciete regeling over de vaststelling van de raadsagenda. Ook in het monisme wordt er echter vanuit gegaan dat de raad uiteindelijk zèlf bevoegd is. Het punt "vaststelling van de agenda" is dan ook na de opening het eerste agendapunt van veel raadsvergaderingen. In de praktijk stelt het college de concept-agenda echter vast. Dit betekent dat het college niet alleen de agenda van de raadsvergadering, maar ook in hoge mate de politieke agenda van de raad bepaalt. In gedualiseerde verhoudingen is een dergelijke werkwijze niet gewenst. De raad dient zelf zijn agenda, zowel formeel als in politieke zin, vast te stellen. De raad bepaalt welke collegevoorstellen hij agendeert en wanneer.

Om deze wijze van agendavaststelling te bevorderen, verdient het aanbeveling dat de raad door middel van zijn reglement van orde een presidium, seniorenconvent of agendacommissie instelt, waarvan de burgemeester en enkele raadsleden (dat kunnen bijvoorbeeld alle fractievoorzitters of alle commissievoorzitters zijn) deel uitmaken. Dit presidium stelt vervolgens de voorlopige agenda op, die aan de raadsleden wordt toegezonden en vervolgens vastgesteld in de raadsvergadering. Dit kan leiden tot een grotere zelfstandigheid ten opzichte van het college. Ditzelfde geldt natuurlijk voor de raadscommissie waar de voorzitters (mogelijk ondersteund door secretarissen die zijn ondergebracht in de griffie) deze rol moeten spelen. Zie voor een nadere toelichting over en modelbepalingen voor het seniorenconvent de op korte termijn te verschijnen Handreiking modelreglement van orde voor de gemeenteraad in een dualistisch stelsel.


5.13 Rekenkamerfunctie
Ook de rekenkamerfunctie is natuurlijk een versterking van de controlerende bevoegdheid van de raad, hierover leest u meer in paragraaf 6.3.

6. Versterking van de budgettaire bevoegdheden van de raad

6. Versterking van de budgettaire bevoegdheden van de raad

  • 6.1 Sturing door de raad
  • 6.2 Controle en verantwoording
  • 6.3 De rekenkamerfunctie

 

6.1 Sturing door de raad
Een belangrijk onderdeel van de versterking van de kaderstellende en controlerende functie betreft de versterking van de financiële functie. Een groot deel van de versterking van de financiële functie betreft de begroting en de jaarrekening/het jaarverslag. Deze stukken moeten echte sturings- en controle-instrumenten van de raad worden. Op dit moment wordt met dit doel gewerkt aan een wijziging van de comptabiliteitsvoorschriften die moet gaan gelden voor het begrotingsjaar 2004. In de nieuwe opzet wordt uitgegaan van een door de raad vast te stellen programbegroting en -rekening die de raad gebruikt bij het sturen op hoofdlijnen en maatschappelijke effecten en het controleren. Het college werkt bij het dagelijks beheer met een productbegroting. Daarnaast zullen begroting en jaarverslag enkele paragrafen moeten bevatten die de beleidslijnen bevatten voor de beheersprocessen, zoals de normen voor het weerstandsvermogen. Over de voorstellen ter verbetering van de begroting en de jaarrekening/het jaarverslag wordt begin 2002 een afzonderlijke handreiking uitgebracht: handreiking begroting en rekening in een dualistisch stelsel. Deze handreiking wordt op dit moment in samenwerking met een aantal gemeenten ontwikkeld in het platform finfun duaal. De nieuwe voorschriften gaan werken voor het begrotingsjaar 2004.

Verder gaat de raad bij verordening de uitgangspunten en doeleinden vaststellen voor het financiële beleid en beheer (art. 212). De raad zal zo over dit onderwerp beleidsmatige beslissingen gaan nemen en vastleggen in een verordening. Deze verordening op basis van artikel 212 moet voor 15-11-2003 worden gemaakt. Daarbij moet in ieder geval worden ingegaan op de regels voor waardering en afschrijving van activa, de grondslagen voor de berekening van prijzen en de tarieven voor retributies en voor de afvalstoffenheffing, alsmede doelstellingen, richtlijnen en limieten voor de financieringsfunctie (treasury). Voor dat laatste is vorig jaar al een handreiking uitgebracht (Handreiking treasury - februari 2000, te verkrijgen bij het Ministerie van BZK, 070-4266426). De raad kan besluiten daar nog andere onderwerpen aan toe te voegen.

Deze regels vormen een belangrijke toetssteen bij het afleggen van verantwoording door het college na afloop van het begrotingsjaar. Over de maatregelen ter verbetering van de begroting en de jaarrekening/het jaarverslag wordt begin 2002 een afzonderlijke handreiking uitgebracht: Handreiking begroting en rekening in een dualistisch stelsel. Deze handreiking wordt op dit moment in samenwerking met een aantal gemeenten ontwikkeld in het platform finfun duaal. De nieuwe voorschriften gaan werken voor het begrotingsjaar 2004.

 

6.2 Controle en verantwoording
Rechtmatigheidcontrole

De accountant geeft nu een zogenaamde getrouw-beeldverklaring. Daarnaast brengt hij een verslag uit waarin hij bevindingen vastlegt van zijn onderzoek naar rechtmatigheid en doelmatigheid van de administratie en het beheer. Die accountantsverklaring zal worden uitgebreid. De verklaring zal een expliciet oordeel moeten bevatten over de rechtmatigheid van de totstandkoming van de baten en lasten en balansmutaties. Bij algemene maatregel van bestuur zullen nadere voorschriften worden gegeven. Die bevatten minimumeisen die aan die rechtmatigheidcontrole worden gesteld, maar de raad, die de accountant zelf aanstelt, kan bij verordening nadere eisen stellen (art. 213). Ook voor deze verordening geldt dat hij op 15-11-2003 vervaardigd en aangenomen dient te zijn.

De raad is hierdoor beter in staat bij de behandeling van de rekening een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de gedane uitgaven. Er verandert wel iets aan de gevolgen die de raad kan verbinden aan het oordeel dat uitgaven onrechtmatig zijn gedaan. Nu is het zo dat de raad bepaalde uitgaven die onrechtmatig zijn gedaan buiten de rekening kan laten, met als gevolg dat de leden van het college, althans voor zover zij aan die uitgaven hebben meegewerkt, persoonlijk aansprakelijk worden. Die mogelijkheid verdwijnt uit de wet. Wel kan de raad het college verplichten voor onrechtmatig geachte uitgaven een voorstel voor een afzonderlijk indemniteitsbesluit aan de raad voor te leggen. Dan zal dus een afzonderlijke bespreking plaatsvinden over die onrechtmatige uitgaven. De raad kan desgewenst politieke gevolgen verbinden aan die discussie. Het resultaat kan echter niet meer zijn dat de leden van het college door het vaststellen van de rekening rechtstreeks persoonlijk aansprakelijk worden.

Moment van verantwoording

De jaarrekening en het jaarverslag dienen in de eerste plaats het verantwoordingsproces. Daarnaast zijn ze ook bij uitstek geschikt voor de evaluatie van het gevoerde beleid. Wil de raad voor bijstelling van het beleid voor het lopende jaar en bij de voorbereiding van de begroting voor het volgend jaar optimaal gebruik kunnen maken van de conclusies op dit punt, dan is de vaststelling in de eerste helft van september, zoals nu gebeurt, wat laat. Daarom wordt het tijdstip van behandeling van jaarrekening en jaarverslag vervroegd naar begin juli. Toezending na 15 juli kan voor gedeputeerde staten aanleiding zijn voor het eerstvolgend jaar preventief toezicht op de begroting in te stellen.

Controle op doelmatigheid en doeltreffendheid

In de Gemeentewet is nu bepaald dat de accountant verslag uitbrengt over de vraag of de administratie en het beheer voldoen aan de eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid. Doelmatigheidscontrole leidt echter al gauw tot een beleidsmatig oordeel, en daarom is zo'n controle minder passend voor een accountant. In het kader van de dualisering krijgt nu het college de taak om structureel onderzoek te doen naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college en de burgemeester gevoerde bestuur. Dat is dus ruimer dan de controle die de accountant nu verricht op dit punt. De raad stelt bij verordening regels voor deze interne controle (art. 213a). Vóór de verkiezingen zal een model verschijnen voor deze verordening. Deze verordening moet uiterlijk 7-3-2003 worden vastgesteld tenzij de raad uitstel verleent. Dit uitstel mag maximaal een jaar duren.

 

6.3 Controle en verantwoording
In het kader van de dualisering worden gemeenten, als zij geen onafhankelijke lokale of regionale rekenkamer instellen, verplicht een andersoortige rekenkamerfunctie in te stellen. Daarbij kan worden samengewerkt met andere gemeenten. De taakopvatting is echter gelijk. De rekenkamerfunctie houdt in dat structureel onderzoek wordt gedaan naar de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Rechtmatigheidonderzoeken die in dit verband worden verricht moeten overigens niet worden verward met het rechtmatigheidonderzoek dat de accountant doet in het kader van de jaarlijkse verantwoording bij de jaarrekening. Bij de rekenkamerfunctie gaat het om specifieke deelonderzoeken. Elk jaar moet verslag worden uitgebracht aan de raad. De afzonderlijke rapporten zijn openbaar. Aan de raad en aan het college van burgemeester en wethouders kunnen voorstellen worden gedaan naar aanleiding van de bevindingen.

De wet geeft een uitgebreide regeling voor een onafhankelijke rekenkamer. De leden (of het enige lid) worden door de raad benoemd, maar de rekenkamer beslist zelf over het onderzoeksprogramma. Een onafhankelijke rekenkamer kan ook onderzoek instellen bij privaatrechtelijke rechtspersonen waarbij de gemeente een financieel belang heeft van meer dan vijftig procent. De raad kan echter ook kiezen voor een andere invulling van de rekenkamerfunctie. Dat kan bijvoorbeeld inhouden dat een commissie uit de raad wordt gekozen om die functie te vervullen, al dan niet aangevuld met externe deskundigen. De rekenkamerfunctie kan natuurlijk ook worden gegeven aan uitsluitend externe deskundigen. De vraag is dan wel wat principieel het verschil nog is met de onafhankelijke rekenkamer. Overigens bepaalt de rekenkamerfunctie net als de onafhankelijke rekenkamer zijn eigen agenda, de raad kan wel verzoeken om onderzoeken uit te voeren.

Over de verschillende mogelijkheden voor de invulling van de lokale rekenkamerfunctie wordt in het voorjaar van 2002 een afzonderlijke handreiking uitgebracht. Vooruitlopend op die afzonderlijke handreiking kan echter hier al worden opgemerkt dat deze verplichting pas op 1 januari 2006 ingaat. Dit neemt natuurlijk niet weg dat gemeenten al eerder vrijwillig tot instelling van een rekenkamerfunctie kunnen besluiten. Hierbij wordt op diverse manieren ondersteuning geboden door onder meer de Algemene Rekenkamer, de VNG en de Vernieuwingsimpuls (bijvoorbeeld door de te verschijnen handreiking). Het verdient aanbeveling bij een eerdere instelling van een onafhankelijke rekenkamer of een rekenkamerfunctie de betreffende bepalingen in het wetsvoorstel dualisering gemeentebestuur als leidraad te nemen.

7. Concentratie van bestuursbevoegdheden bij het college

7. Concentratie van bestuursbevoegdheden bij het college

  • 7.1 Algemeen
  • 7.2 Gemeentewettelijke bevoegdheden
  • 7.3 Medebewindswetten
  • 7.4 Autonome bevoegdheid
  • 7.5 Invloed van de raad

7.1 Algemeen
Naast de ontvlechting van het wethouderschap en het raadslidmaatschap, en de versterking van de controlerende, verordenende en budgettaire bevoegdheden van de raad, is de concentratie van bestuursbevoegdheden bij het college een derde pijler van de dualisering van het gemeentebestuur. Het gaat hierbij om drie soorten bevoegdheden:

  1. in de Gemeentewet opgenomen bestuursbevoegdheden;
  2. in medebewindswetten opgenomen bestuursbevoegdheden;
  3. de in de Grondwet verankerde autonome bestuursbevoegdheid.

7.2 Overheveling van gemeentewettelijke bestuursbevoegdheden
In de Gemeentewet zelf zijn enkele gemeentelijke bestuursbevoegdheden opgenomen. In de nieuwe situatie worden deze vrijwel allemaal aan het college geattribueerd. Het college wordt bevoegd:

  1. om regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente, met uitzondering van de organisatie van de griffie, het gaat hier ook om het vaststellen van de verordening rondom de rechtspositie van deze ambtenaren (art. 160, eerste lid, onderdeel c);
  2. om ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan, met uitzondering van de griffier, de op de griffie werkzame ambtenaren (artt. 160, eerste lid, onderdeel d, 107, 107e, tweede lid) en de accountant is in dienst van de gemeente (art. 213, zevende lid);
  3. om tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten en deze vervolgens te verrichten (art. 160, eerste lid, onderdeel e);
  4. om rechtsgedingen namens de gemeente of het gemeentebestuur te voeren, handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, alsmede namens de gemeente of het gemeentebestuur bezwaar te maken, tenzij de raad voorzover het hem aangaat, anders beslist (art. 160, eerste lid, onderdeel f);
  5. om de civiele verdediging voor te bereiden (art. 160, eerste lid, onderdeel g);
  6. om jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen (art. 160, eerste lid, onderdeel h).

De bevoegdheid van het college om te besluiten tot oprichting van en deelneming in allerlei privaatrechtelijke rechtspersonen (stichtingen, vennootschappen, e.d.) vloeit voort uit de bevoegdheid privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en daartoe te besluiten. Het college mag deze bevoegdheden echter alleen uitoefenen nadat de raad zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen (art. 160, tweede lid). Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden hierboven genoemd onder 3, 4, 5 en 6, indien de raad daartoe verzoekt of als deze uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor gemeenten (art. 169, vierde lid).

De overheveling van deze bestuursbevoegdheden geschiedt onmiddellijk zodra het nieuwe wettelijke stelsel in werking treedt, dus op 7 maart 2002. Dit betekent dat eventuele delegatiebesluiten, waarin deze bevoegdheden geheel of gedeeltelijk aan het college worden overgedragen, hun betekenis verliezen.
Daarnaast behoudt het college de specifieke bestuursbevoegdheden waarover het nu al beschikt en de per definitie algemene bevoegdheden om het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren en om raadsbesluiten voor te bereiden en uit te voeren.

7.3 Overheveling van bestuursbevoegdheden in medebewindswetten
Veel bestuursbevoegdheden worden door middel van medebewindswetgeving geattribueerd aan het gemeentebestuur. Op kleine schaal vindt attributie van bestuursbevoegdheden aan het college plaats, terwijl dit in een gedualiseerd stelsel wel het geval behoort te zijn. Het is de bedoeling dat te doen door middel van een integrale wijziging van al deze medebewindswetgeving. De Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden treedt - zo is het streven - medio 2003 in werking.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden is het goed denkbaar dat de raad door middel van aanpassing van zijn delegatiebesluit al meer medebewindsbevoegheden delegeert aan het college. Een aantal gemeenten zijn daar al mee bezig in het kader van de Vernieuwingsimpuls. Begin 2002 zal in het kader van de Vernieuwingsimpuls een handreiking verschijnen over de aard en omvang van de bestuursbevoegdheden die wel en niet worden overgedragen.

7.4 Overheveling van de autonome bestuursbevoegdheid
Overheveling van de autonome bestuursbevoegdheid naar het college is alleen mogelijk na wijziging van de Grondwet. De autonome bestuursbevoegdheid behelst die bevoegdheden die niet in de wet zijn vastgelegd, zoals de bouw van een zwembad of een schouwburg. Een grondwetsherziening op dit punt is in overweging. Vooruitlopend hierop kan de raad, als hij dat wenst, door middel van zijn delegatiebesluit de betrokken concrete bevoegdheden al delegeren aan het college. Het gaat hierbij om zaken als het toekennen van subsidies, hetgeen meestentijds geregeld is in de algemene plaatselijke verordening (APV) en het onderhouden van buitenlandse betrekkingen van de gemeente.

7.5 De invloed van de raad op de uitoefening van bestuursbevoegdheden door het college
De concentratie van bestuursbevoegdheden bij het college wil niet zeggen dat de raad geen politieke invloed meer heeft op de uitoefening van deze bevoegdheden.

In de eerste plaats kan de raad gebruik maken van zijn formele instrumenten om beleidskaders te stellen: dat wil zeggen van zijn verordenende en budgettaire bevoegdheden. Beide instrumenten worden onder het huidige stelsel niet altijd optimaal benut. Daarnaast kan de raad het college ter verantwoording roepen als het gaat om de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden. De aanleiding hiervoor kan zijn gelegen in een (beleids)incident dat de nodige aandacht krijgt, een klacht van een burger of informatie die het college zelf verschaft. Ook is het denkbaar dat de beantwoording van een concrete mondelinge of schriftelijke vraag van een raadslid over een bepaald onderwerp aanleiding is voor interventie door de raad of door de raadscommissie. Tot slot kunnen rapportages van de rekenkamer, doelmatigheidsonderzoeken van het college, "zware" onderzoeken van de raad zelf naar collegebeleid en "lichtere" varianten ertoe leiden dat het college specifiek verantwoording moet afleggen (zie paragraaf 5.8).

De raad kan op diverse manieren interveniëren. Uiteraard is het college verplicht verantwoording af te leggen over het gevoerde bestuur. Zo nodig kan de raad dit verantwoordingsproces bevorderen door gebruik van zijn rechten zoals het recht van interpellatie. Raadsleden kunnen ook een motie indienen waarin een uitspraak wordt gevraagd die (bij)sturing van het collegebeleid beoogt. Tevens is het denkbaar dat de raad het college om een beleidsnota vraagt, waarin het te voeren beleid nader wordt uiteengezet, hetgeen de raad vervolgens de mogelijkheid biedt voor (politieke) bijsturing. Bij dit alles is van belang dat de raad ook zwaarder geschut in stelling kan brengen: in laatste instantie kan de vertrouwensvraag aan de orde komen en de raad een wethouder of zelfs een heel college tot aftreden dwingen (zie paragraaf 5.7).

Bij dit alles moet worden bedacht dat een wezenlijke verschuiving qua attitude bij de raad geboden is. Van formeel (mede)besturend orgaan dat veel alweer formele besluiten neemt, verandert de raad in een orgaan dat politieker moet opereren teneinde zijn eindverantwoordelijkheid waar te kunnen maken. Het algemene proces van cultuurverandering dat raden en colleges moeten doormaken in het kader van de dualisering van het gemeentebestuur, mag geslaagd heten als deze omslag is gerealiseerd. Een belangrijk mechanisme bij de beoogde attitudeverandering is een ingrijpende aanpassing van de wijze waarop de agenda's van de raad en de raadscommissies tot stand komen. Materieel geschiedt dat thans in overwegende mate door het college respectievelijk de desbetreffende portefeuillehouder(s). In een gedualiseerd stelsel, waar de raad door middel van politieke sturing het college controleert en kaders stelt voor het collegebeleid, is het absoluut noodzakelijk dat de raad en zijn commissies zelf hun agenda vaststellen. Het zijn de raad en de raadscommissies die bepalen welke punten aan de orde komen, terwijl zij bovendien aangeven wanneer welk collegelid dient te verschijnen om verantwoording af te leggen. Ook op dat laatste punt zijn de verhoudingen thans in de meeste gemeenten nog omgekeerd. Zie verder over dit onderwerp paragraaf 5.12.

8. Nieuwe bevoegdheden van de burgemeester

8. Nieuwe bevoegdheden van de burgemeester

  • 8.1 Algemeen
  • 8.2 Bij de collegevorming
  • 8.3 Als collegevoorzitter
  • 8.4 Als raadsvoorzitter
  • 8.5 In de verhouding burger-bestuur
  • 8.6 De aanstellingswijze van de burgemeester
  • 8.7 De woonplaats van de burgemeester

8.1 Algemeen
De Staatscommissie en in haar voetsporen het kabinet hebben een gemengd beeld van de huidige positie van de burgemeester geschetst. Enerzijds blijkt telkens weer uit onderzoek dat de burgemeester door de burgers als een gewaardeerde en vertrouwde figuur wordt beschouwd, die bij uitstek de gezichtsbepalende bestuurder van de gemeente is. Anderzijds is er de laatste decennia sprake van een ontwikkeling waarbij de meer representatieve taken steeds meer en de beleidsinhoudelijke aspecten steeds minder het burgemeestersambt gaan bepalen. In dat licht is het gewenst dat de positie van de burgemeester in het gemeentelijk bestuursstelsel wordt versterkt. Dit gebeurt op een aantal vlakken zoals hieronder staat beschreven.

8.2 Bij de collegevorming
In de wet wordt een waarborg gecreëerd voor de betrokkenheid van de burgemeester bij de collegevorming. De fractievoorzitters zijn verplicht de burgemeester over de resultaten van de collegeonderhandelingen te informeren. Op dat moment kan de burgemeester zijn opvattingen over de voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma kenbaar maken (art. 35, tweede lid).

8.3 Als collegevoorzitter

Nieuwe bevoegdheden
De burgemeester blijft voorzitter van het college. Dit voorzitterschap krijgt echter meer inhoud door een drietal nieuwe bepalingen. Het streven van de wetgever is dat deze versterking van de rol van de burgemeester als collegevoorzitter extra waarborgen voor een collegiaal bestuur creëert:

  1. De burgemeester krijgt een zorgplicht voor de eenheid van het collegebeleid (art. 53a, eerste lid). Dit is een in algemene termen verwoorde bepaling die de burgemeester onder meer het recht geeft om in gevallen waar de eenheid van het collegebeleid op het spel staat, te interveniëren.
  2. In het verlengde van zijn zorg voor de eenheid van het collegebeleid wordt de burgemeester bevoegd onderwerpen aan de agenda van de collegevergadering toe te voegen. Portefeuille-overstijgende zaken die als gevolg van non-interventiegedrag (te lang) blijven liggen, kunnen op die manier aan de orde worden gesteld (art. 53a, tweede lid).
  3. Om deze agenderende bevoegdheid verder te versterken, mag de burgemeester bovendien ten aanzien van voor een collegevergadering geagendeerde onderwerpen een eigen voorstel in bespreking brengen (art. 53a, derde lid). Het zal duidelijk zijn dat zowel deze als de vorige bevoegdheid alleen met enige effectiviteit kunnen worden aangewend, indien de burgemeester daartoe de ruimte krijgt van de wethouders. Indien er bijvoorbeeld een situatie is ontstaan, waarin de behoefte bestaat aan iemand die een lastige knoop doorhakt, is het bijvoorbeeld zeer wel voorstelbaar dat dit het geval is.

Algemene zorgplichten
Naast deze drie direct op de positie van het college betrekking hebbende bevoegdheden, is verder voorzien in drie, onmiddellijk na de inwerkingtreding werkende, meer algemeen geformuleerde zorgplichten voor de burgemeester. De burgemeester moet namelijk gaan toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, alsmede op een goede afstemming tussen degenen die bij die beleidsvoorbereiding, -vaststelling en -uitvoering zijn betrokken (art. 170, eerste lid, onderdeel a). Deze zorgplicht plaatst de burgemeester in de positie van algemeen coördinator van het gemeentelijk beleid. Het is goed denkbaar dat de burgemeester aan het college en de raad kenbaar maakt hoe hij met deze coördinatiebevoegdheid wil omgaan, ook in relatie tot de eerder behandelde drie bevoegdheden van de burgemeester ten aanzien van het functioneren van het college. De raad kan vragen om een rapportage van de burgemeester over zijn bevindingen als algemeen beleidscoördinator. Dit biedt de raad een goed aanknopingspunt zich effectief over dit onderwerp te buigen.

Verder heeft de burgemeester een bijzondere zorgplicht ten aanzien van de samenwerking met andere gemeenten en andere overheden (art. 170, eerste lid, onderdeel b). Tot slot behoudt de burgemeester de bevoegdheid om te interveniëren in alle gemeentelijke aangelegenheden. De oude Gemeentewet kent in de vorm van artikel 170 ("De burgemeester bevordert een goede behartiging van de zaken van de gemeente") hiervoor een grondslag. In de nieuwe Gemeentewet keert die bepaling in iets gewijzigde vorm terug in de vorm van artikel 170, derde lid: "De burgemeester bevordert overigens een goede behartiging van de gemeentelijke aangelegenheden".

8.4 Als raadsvoorzitter
De burgemeester blijft voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de Grondwet schrijft dit dwingend voor. In het licht van de gedualiseerde verhoudingen is het wel zaak dat de burgemeester in zijn rol van raadsvoorzitter het belang van de raad laat prevaleren boven dat van het college. Als zodanig heeft hij ook een zekere verantwoordelijkheid om de invoering van de dualisering en de cultuurverandering die daarbij hoort te stimuleren.

Thans fungeert bij afwezigheid van de burgemeester één van de wethouders als raadsvoorzitter (art. 77, eerste lid). Een dergelijke figuur past niet in een gedualiseerd stelsel. Daarom is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in leeftijd degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. Voor de overige taken (ook de representatieve) van de burgemeester in algemene zin geldt dat die net als nu worden waargenomen door een wethouder. Als alle wethouders afwezig zijn wordt het ambt van burgemeester waargenomen door hetzelfde raadslid dat het raadsvoorzitterschap waarneemt.

Met het oog op de vaststelling van de voorlopige raadsagenda en meer in het algemeen de procedurele gang van zaken tijdens raadsvergaderingen is het denkbaar dat de raad uit zijn midden een presidium benoemt (zie ook paragraaf 5.12). Het in veel gemeenten al bestaande seniorenconvent zou ook als zodanig kunnen functioneren.

8.5 In de verhouding burger-bestuur
Voor veel burgers is de burgemeester het gezicht van de gemeente. Daarom zijn in de nieuwe Gemeentewet enkele nieuwe taken opgenomen voor de burgemeester, die met name de verhouding tussen burger en gemeentebestuur betreffen.

Het gaat hierbij in de eerste plaats om een drietal specifieke zorgplichten.

1. Toezicht op de kwaliteit van procedures op het vlak van de burgerparticipatie (art. 170, eerste lid, onderdeel c)

Hiermee zijn bedoeld "klassieke" inspraakprocedures en procedures voor de verdergaande interactieve beleidsvorming. Als gemeenten bijvoorbeeld het burgerinitiatief kennen, dient de burgemeester over de kwaliteit van de ten aanzien van dit instrument gevolgde procedures te rapporteren. Ditzelfde kan gelden voor referenda. Dit toezicht betreft nadrukkelijk de procedurele kant. Voor de inhoudelijke kant zijn de eerstverantwoordelijke collegeleden, dus veelal de wethouders, primair verantwoordelijk.

2. Toezicht op een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften (art. 170, eerste lid, onderdeel d)

Ook dit toezicht betreft uiteraard alleen de procedurele aspecten van de behandeling van bezwaarschriften zoals een tijdige en zorgvuldige behandeling.

3. Toezicht op een zorgvuldige behandeling van klachten door het gemeentebestuur (art. 170, eerste lid, onderdeel e)

Het betreft hier de interne klachtbehandeling, dus de wijze waarop het gemeentebestuur zelfde aan zijn adres gerichte klachten behandelt. Externe klachtbehandeling - momenteel nog niet verplicht voor gemeenten - geschiedt door een gemeentelijke ombudsman (of -functie) dan wel de Nationale ombudsman als de betrokken gemeente zich bij dat instituut heeft aangesloten.

Het burgerjaarverslag
De burgemeester is vrij om te bepalen op welke wijze hij zijn zorgplichten op het vlak van de verhouding burger-bestuur wil effectueren. Wel is hij verplicht om in het, overigens vormvrije, burgerjaarverslag verslag uit brengen aan de raad over in ieder geval de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening en zijn bevindingen over de kwaliteit van de burgerparticipatie (art. 170, tweede lid). Daarnaast kan de burgemeester uiteraard, zonder daartoe verplicht te zijn, over andere zaken rapporteren, bijvoorbeeld over het gemeentelijk integraal veiligheidsbeleid.

Het burgerjaarverslag moet tegelijk worden uitgebracht met de jaarrekening, het jaarverslag en de accountantsverklaring (art. 170, tweede lid). Dit heeft als voordeel dat de raad in samenhang met deze andere stukken het college ter verantwoording kan roepen over de mate van burgergerichtheid in de verschillende fases van de beleidsvormingscyclus en zelf voorstellen tot verbetering kan doen. Omdat een burgerjaarverslag de verhouding burger-bestuur betreft, verdient het aanbeveling dit verslag actief aan de burgers ter beschikking te stellen.

De verplichting tot het uitbrengen van het burgerjaarverslag treedt op 7 maart 2002 in werking. Dat wil zeggen dat de burgemeester voor het eerst over 2002 een burgerjaarverslag moet publiceren. De inhoud van dit burgerjaarverslag zal worden opgenomen in een handreiking over de nieuwe rol van de burgemeester die in samenwerking tussen het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en de Vernieuwingsimpuls begin 2002 zal verschijnen.

8.6 De aanstellingswijze van de burgemeester
Over de wijziging van de aanstellingswijze van de burgemeester (aanbeveling door de raad + een volksraadpleging als de raad daartoe beslist) is door het ministerie van BZK een circulaire uitgebracht. De VNG zal nog een ledenbrief en een modelverordening uitbrengen.

8.7 De woonplaats van de burgemeester
Uitgangspunt van de Gemeentewet is dat de burgemeester woont in de gemeente waar hij burgemeester is. De Commissaris van de Koningin kan daarvan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen. Onder het nieuwe regime dient de raad deze ontheffing te verlenen, echter voor maximaal een jaar.

9. Ambtelijke organisatie

9. Ambtelijke organisatie

  • 9.1 Algemeen
  • 9.2 Recht op ambtelijke bijstand
  • 9.3 Verplichting benoemen raadsgriffier
  • 9.4 Taak en formele positie gemeentesecretaris
  • 9.5 Formele positie ambtelijk organisatie

9.1 Algemeen
In de regeling van de formele positie van de ambtelijke organisatie wijzigt ook het een en ander als gevolg van de Wet dualisering gemeentebestuur. Deze wijzigingen beogen in de eerste plaats betere waarborgen te bieden voor de ambtelijke ondersteuning van de raad en individuele raadsleden. In de tweede plaats is het de bedoeling om de feitelijke situatie, waarin de ambtelijke organisatie vooral voor het college werkt, te codificeren. In de Handreiking ambtelijke ondersteuning voor de gemeenteraad, die begin 2002 zal verschijnen zal meer aandacht worden besteed aan de verschillende mogelijkheden voor gemeenten.

De wijzigingen betreffen:

  1. Het recht op ambtelijke bijstand en fractieondersteuning voor de raad en individuele raadsleden;
  2. De verplichting een raadsgriffier te benoemen;
  3. De formele positie van de gemeentesecretaris;
  4. De formele positie van de ambtelijke organisatie.

9.2 Het recht op ambtelijke bijstand van de raad en individuele raadsleden
Op dit recht is al ingegaan in paragraaf 5.4. Belangrijk is een onderscheid te maken in de taken die zijn weggelegd voor de fractieondersteuning, de griffie(r) en de ambtelijke organisatie.

9.3 De verplichting een raadsgriffier te benoemen
Benoeming, ontslag, schorsing en vervanging van de griffier en andere griffie-ambtenaren

De raad moet uiterlijk 7 maart 2003 een eigen griffier benoemen (art. 107). Dit is een besluit dat de raad geheel zelfstandig neemt. Het college hoeft er niet bij te worden betrokken. Een aandachtspunt bij het nemen van een dergelijk besluit is uiteraard de aanwezigheid van een adequate begrotingspost in de begroting van 2003. Vanuit verschillende hoeken is de suggestie gedaan om de functies van griffier en secretaris in één persoon te verenigen. Dit sluit de letter van de wet niet uit. De minister van BZK heeft aangekondigd dat hij bij de evaluatie van de wet, die voor 1-1-2005 moet plaatsvinden, dit punt zal meenemen. Mocht dan blijken dat veel gemeenten voor deze optie hebben gekozen dan bestaat de mogelijkheid dat hierover alsnog nadere regels zullen worden gesteld.

De benoemingsprocedure van de griffier kan de raad geheel naar eigen inzicht inrichten. Hij kan daarover nadere regels stellen. Verder is het de raad die de door hem benoemde griffier kan schorsen, vervangen en ontslaan. Hierbij dienen de gewone regels van het ambtenarenrecht uiteraard wel in acht te worden genomen. Naast de griffier kan de raad ook nog andere griffie-ambtenaren benoemen en deze vervolgens zo nodig ontslaan, schorsen en vervangen. Verder kan de raad regels vaststellen over de organisatie van de griffie. Verplicht is dit echter niet. Het ligt overigens voor de hand dat in ieder geval de ambtelijke secretarissen van de raadscommissies deel uitmaken van de griffie.

De taken van de griffier

De griffier heeft de volgende taken:

  1. Hij staat de raad en de door de raad ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde (art. 107a, eerste lid);
  2. Hij is aanwezig in raadsvergaderingen (art. 107b);
  3. Hij mede-ondertekent de stukken die van de raad uitgaan (art. 107c)

De belangrijkste taak van de griffier is de eerstgenoemde. Concreet gaat het dan om het honoreren van en bemiddelen bij verzoeken om ambtelijke bijstand van de raad of van individuele raadsleden. Betreft het verzoeken om feitelijke informatie of om gespecialiseerde assistentie, dan moet de griffier een beroep op het "gewone" ambtelijke organisatie kunnen doen. In de verordening op de ambtelijke bijstand moet de raad hierover procedurele regels stellen (art. 33, tweede lid).

De raad moet in een instructie nadere regels vaststellen over de invulling door de griffier van deze taken (art. 107a, tweede lid). Het ligt voor de hand dat de desbetreffende regels uit de huidige ambtsinstructie voor de secretaris hierbij als uitgangspunt worden gehanteerd.

9.4 Taak en formele positie van de gemeentesecretaris
Omdat de raad een eigen griffier aanstelt, verliest de secretaris een aantal specifiek op de ondersteuning van de raad gerichte taken. Zijn hoofdtaak is het verlenen van bijstand aan het college, de burgemeester en de door hen ingestelde commissies (art. 103, eerste lid).

Verder wordt de secretaris door het college benoemd, geschorst, vervangen en ontslagen (art. 102). Het college stelt de instructie voor de secretaris vast (art. 103, tweede lid). In de praktijk betekent dit dat de bestaande instructie moet worden aangepast aan het wegvallen van de op ondersteuning van de raad gerichte taken. Die aanpassing moet 7 maart 2003 in werking treden of, indien een griffier op een eerder tijdstip op vrijwillige basis wordt aangesteld, op het moment van benoeming van de raadsgriffier en de inwerkingtreding van de instructie voor deze griffier.

9.5 De formele positie van de ambtelijke organisatie
Thans oefent de raad het bevoegde gezag uit over de ambtelijke organisatie. In de nieuwe situatie wordt deze bevoegdheid overgeheveld naar het college. Dat wil zeggen dat:

a. het college voortaan ambtenaren benoemt, schorst en ontslaat, echter met uitzondering van de griffier en zijn medewerkers (art. 160, eerste lid, onderdeel d) en de accountant in dienst van de gemeente (art. 213, zevende lid);

b. het college voortaan regels mag vaststellen over de ambtelijke organisatie, alweer met uitzondering van de raadsgriffie(r) (art. 160, eerste lid, onderdeel c).

Ten aanzien van de onder b bedoelde regels is een overgangsbepaling in het wetsvoorstel opgenomen. Door de raad verrichte bestaande aanstellingen van ambtenaren en door de raad vastgestelde voorschriften op basis van de artikelen 125, 125c en 134 van de Ambtenarenwet worden geacht afkomstig te zijn van het college (art. VI, eerste respectievelijk tweede lid). Ditzelfde geldt voor de vaststelling van verordening op de rechtspositie van ambtenaren (Car-Uwo).

10. Installatie gemeenteraad en benoeming wethouders

10. Installatie gemeenteraad en benoeming wethouders

  • 10.1 Eerste samenkomst nieuwe raad
  • 10.2 Tussen stemming en eerste samenkomst
  • 10.3 Benoeming wethouders en aftreden zittende wethouders
  • 10.4 Herindelingsgemeenten

In mei 2001 is de Handreiking Installatie gemeenteraad en benoeming wethouders uitgebracht. Door de behandeling in de Tweede Kamer is deze handreiking op bepaalde punten achterhaald geraakt. Om die reden is in dit hoofdstuk een geactualiseerde tekst opgenomen.

 

10.1 De eerste samenkomst van de nieuwe raad
Oude termijn tussen stemming en eerste samenkomst

Bij vorige raadsverkiezingen trad de oude raad steeds af op de dinsdag in de periode van 12 tot en met 18 april. Dat is bijna zes weken na de verkiezing van de leden van de raad. Op diezelfde dag kwam dan de nieuwe gemeenteraad voor het eerst bijeen. Dat de termijn tussen de verkiezing en de eerste samenkomst van de nieuwe raad ongeveer zes weken was, had te maken met het feit dat de nieuwe raad in zijn eerste vergadering de wethouders uit zijn midden koos. Er moest voldoende tijd zijn om de samenstelling van het nieuwe college voor te bereiden. De zittende wethouders traden tegelijk met de oude raad af. Dat was vanzelfsprekend omdat het wethouderschap was verbonden met het raadslidmaatschap: op het moment dat iemand ophield raadslid te zijn, hield hij ook op wethouder te zijn.

Nieuwe termijn tussen stemming en eerste samenkomst

Tot de kern van de Wet dualisering gemeentebestuur behoort dat het wethouderschap en raadslidmaatschap niet langer kunnen worden gecombineerd. Een raadslid die tot wethouder wordt benoemd, verliest zijn raadslidmaatschap. Net zoals een Tweede-Kamerlid die tot minister wordt benoemd, niet langer Tweede-Kamerlid kan zijn. Wethouder behoeven niet meer uit de raad afkomstig te zijn, maar het mag wel. Wat niet verandert, is dat de wethouders door de raad worden benoemd.

Omdat het wethouderschap en raadslidmaatschap worden ontkoppeld, is het ook niet langer vanzelfsprekend dat het wethouderschap eindigt op het moment dat de oude raad aftreedt. Zoals het "oude" kabinet doorgaans nog enkele maanden in functie blijft nadat de leden van de "oude" Tweede Kamer na verkiezingen zijn afgetreden, kunnen onder de nieuwe verhoudingen de wethouders dat ook nadat de leden van de oude raad zijn afgetreden. Er kunnen dus demissionaire wethouders zijn, zoals er ook demissionaire ministers kunnen zijn. Dit betekent dat de termijn die nodig is voor de vorming van een nieuw college niet langer bepalend hoeft te zijn voor de termijn die nodig is tussen de verkiezing van de gemeenteraad en de eerste samenkomst van de nieuwgekozen raad. Er hoeft voor wat betreft de lengte van die laatste termijn alleen nog rekening te worden gehouden met de formaliteiten die nodig zijn voordat de nieuwe raad kan worden geïnstalleerd. Daarom is die termijn tussen stemming en eerste samenkomst van de nieuwe raad bepaald op acht dagen.

Op de donderdag in de periode van 10 tot en met 16 maart (in een schrikkeljaar de donderdag in de periode van 9 tot en met 15 maart) komt de nieuwe raad in een verkiezingsjaar voor het eerst bijeen. De woensdag daarvóór, dus de zevende dag na de stemming, is de laatste zittingsdag van de oude raad. In 2002 betekent dat, dat de eerste raadsvergadering op donderdag 14 maart wordt gehouden en dat de oude raad voor het laatst op woensdag 13 maart kan vergaderen. Consequentie van de verkorting van de termijn tussen stemming en eerste samenkomst tot acht dagen is, dat tegen de beslissingen van de raad inzake de toelating van nieuwe raadsleden geen beroep op de bestuursrechter meer open staat.

 

10.2 Wat moeten gemeenten doen tussen stemming en eerste samenkomst
Voordat de nieuwe raad op 14 maart 2002 bijeen kan komen, moeten na de stemming diverse handelingen worden verricht. Allereerst moet natuurlijk de uitslag officieel worden vastgesteld, zodat bekend wordt welke kandidaten zijn gekozen in de raad. De gekozen kandidaten moeten van hun verkiezing op de hoogte worden gesteld en diverse stukken overleggen aan de raad. Die stukken zijn nodig voor het onderzoek naar de geloofsbrieven dat de oude raad moet doen. Deze zaken komen hierna stuk voor stuk aan de orde.

1 Vaststelling verkiezingsuitslag

In de termijnen rond de vaststelling van de verkiezingsuitslag worden geen wijzigingen aangebracht. Uit de Kieswet vloeit voort dat de uitslag door het centraal stembureau voor de gemeenteraadsverkiezingen wordt vastgesteld op de vrijdag na de stemming op woensdag. In 2002 dus op vrijdag 8 maart.

2 Uitreiking benoemingsbesluiten

Op grond van het huidige artikel V 1 van de Kieswet heeft het centraal stembureau drie dagen de tijd om de benoemingsbesluiten aangetekend te verzenden of tegen gedagtekend ontvangstbewijs uit te reiken. Bij het parlement is echter een wetsvoorstel aanhangig waarin deze termijn wordt verkort tot één dag. Bovendien bestaat op grond van dit wetsvoorstel alleen de mogelijkheid om de benoemingsbesluiten in persoon uit te reiken. Verzending per post is dus niet langer mogelijk. In verband met de Algemene termijnenwet betekent het voorgaande voor de verkiezingen in 2002 dat de benoemingsbesluiten uiterlijk op maandag 11 maart uitgereikt moeten worden. Hierna worden enkele tips gegeven voor een snelle werkwijze.

Op de dag waarop de uitslag wordt vastgesteld zal de voorzitter van het centraal stembureau de benoemingsbrieven van de gekozenen moeten tekenen. De brieven kunnen al vóór de stemming worden aangemaakt voor de kandidaten die naar verwachting worden gekozen. De dag nà de stemming is er vervolgens voldoende tijd om de benoemingsbesluiten gereed te maken voor ondertekening door de voorzitter.

Daarnaast is het raadzaam om alle gekozen kandidaten op de middag van de vaststelling van de uitslag of de maandag daarop naar het gemeentehuis te laten komen om daar hun benoemingsbrief in ontvangst te nemen. Van te voren kunnen er afspraken worden gemaakt met de fracties en de lokale partijbesturen of partij-afdelingen over de exacte tijden waarop de gekozen kandidaten de benoemingsbesluiten kunnen ophalen op het gemeentehuis.

De voorzitter van het centraal stembureau zorgt er ook voor dat tegelijkertijd met de kennisgeving aan het gekozen raadslid, van de benoeming kennis wordt gegeven aan de raad (de zogenaamde geloofsbrief). Deze kennisgeving moet dus ook uiterlijk de maandag na de vaststelling van de uitslag plaatsvinden.

3 Aanvaarding van de benoeming

Om tot lid te kunnen worden toegelaten, moet de benoemde zijn benoeming schriftelijk aanvaarden. Tegelijk met die aanvaarding moet hij aan de raad een ondertekende verklaring overleggen, waarop alle openbare betrekkingen staan die hij bekleedt (artikel V 3, lid 1, Kieswet). Als de benoemde geen lid van de raad is op het tijdstip van benoeming, moet hij ook een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven overleggen, waaruit zijn woonplaats en datum en plaats van geboorte blijken (artikel V 3, lid 2, Kieswet). Indien de benoemde geen onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese Unie, moet bovendien uit het afschrift blijken dat hij voldoet aan de vereisten voor het lidmaatschap die gelden voor niet-EU-onderdanen (artikel V3, lid 4, Kieswet; de vereisten zijn opgenomen in artikel 10, tweede lid, Gemeentewet). Omdat het bij raadsverkiezingen niet of nauwelijks voorkomt dat benoemden buiten Nederland wonen (zij zullen om te kunnen worden toegelaten tot lid ook moeten verhuizen), wordt die situatie hier verder buiten beschouwing gelaten (zie onder andere artikel V 3, derde lid, van de Kieswet).

Formeel heeft een benoemde tien dagen de tijd om zijn benoeming te aanvaarden (uiterlijk op de tiende dag na de kennisgeving moet hij de mededeling van aanvaarding van de benoeming doen en daarbij de genoemde stukken aan de raad overleggen, artikelen V 2 en V 3 Kieswet). Als iedereen daadwerkelijk van deze termijn gebruik maakt, is het niet mogelijk de procedure af te ronden voordat de oude raad aftreedt. Het is daarom zaak dat afspraken worden gemaakt met politieke partijen en fracties dat zij tijdig diegenen die een goede kans hebben te worden gekozen, inlichten over de stukken die zij moeten inleveren. Het is voor alle betrokkenen het prettigst als de stukken worden ingeleverd tegelijk met het afhalen van het benoemingsbesluit. Op het gemeentehuis kunnen al formulieren voor de aanvaarding van de benoeming klaarliggen. Ook verdient het aanbeveling dat op het gemeentehuis formulieren klaarliggen waarop kan worden aangegeven welke openbare functies worden bekleed. Ten slotte is het raadzaam ervoor te zorgen dat de gekozenen die nog geen lid zijn van de gemeenteraad, op de dag dat zij hun benoemingsbrief afhalen het benodigde afschrift kunnen krijgen uit de GBA.

Voor diegenen die hun benoeming niet of niet tijdig (dus binnen tien dagen) aanvaarden, moet uiteraard een opvolger worden benoemd. De Kieswet regelt hoe dat moet (hoofdstukken V en W).

4 Beslissing omtrent de toelating

In de Wet dualisering gemeentebestuur wordt bepaald dat de raad de beslissing over de toelating 'onverwijld' moet nemen. Dit betekent voor de praktijk dat de raad uiterlijk op de zevende dag na de stemming, de laatste zittingsdag van de oude raad, over de toelating van de nieuwe raadsleden moet beslissen. Voor de verkiezingen van 2002 komt dit er op neer, dat het geloofsbrievenonderzoek uiterlijk op woensdag 13 maart afgerond dient te worden. Artikel V 4 van de Kieswet geeft regels voor de beslissing over de toelating. Ook moet de raad beslissen over eventuele geschillen met betrekking tot de verkiezing.

Het kan voorkomen dat het niet mogelijk is om op uiterlijk op de zevende dag na de stemming over de toelating van alle nieuwbenoemden te beslissen. Reden hiervoor kan zijn dat niet iedereen tijdig voor die dag de benoeming heeft aanvaard en de benodigde stukken heeft overgelegd, de uitslag niet juist is vastgesteld of de verkiezing in één of meer van de stemdistricten ongeldig wordt verklaard. De raad kan dan wel besluiten over de toelating van de leden wier stukken wel op tijd zijn ontvangen respectievelijk op wier verkiezing de onjuistheid van de uitslag of ongeldigheid van de stemming geen invloed kan hebben gehad. (Zie ook artikel V 5 Kieswet.) Mocht onverhoopt op de achtste dag na de stemming toch niet ten minste de helft van de nieuwe leden zijn toegelaten, dan houdt de oude gemeenteraad zitting totdat dit wel het geval is (artikel V 15, eerste lid, van de Kieswet).

5 Installatie nieuwe raad

Zoals ter sprake vangt de zittingsperiode van de nieuwe raad aan op de achtste dag na de stemming. Op deze dag dient ook de eerste vergadering van de raad plaats te vinden. In deze vergadering dienen de nieuwe leden de eed of verklaring en belofte af te leggen. Met ingang van dat moment nemen de feitelijke werkzaamheden als raadslid een aanvang.

6 Geen beroep meer mogelijk tegen toelatingsbeslissing

De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot toelating als lid van de raad komt te vervallen. De schrapping van de beroepsmogelijkheid is het gevolg van de verkorting van de termijn tussen stemming en eerste samenkomst van de nieuwe raad tot acht dagen. Bij handhaving van de beroepsmogelijkheid zou een langere termijn moeten gelden tussen stemming en eerste samenkomst van de nieuwe raad. In dat geval zouden de nieuwe raadsleden immers pas geïnstalleerd kunnen worden nadat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, nadat het beroep is afgewikkeld.

 

10.3 Benoeming wethouders en aftreden zittende wethouders
Benoeming wethouders

In zijn eerste vergadering op 14 maart 2002 kan de nieuwe raad overgaan tot benoeming van de nieuwe wethouders. Het is echter niet meer voorgeschreven dat de raad in zijn eerste vergadering de nieuwe wethouders benoemt. Niet aannemelijk is ook dat veel gemeenteraden in staat zullen zijn op zo'n korte termijn de collegevorming rond te hebben. De Wet dualisering gemeentebestuur bevat ook geen termijn waarbinnen de collegevorming dient plaats te vinden. De oude wethouders blijven in functie (demissionair), totdat de nieuwe raad ten minste de helft van het aantal nieuwe wethouders heeft benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen. Dit kan drie weken na de eerste samenkomst van de raad zijn, maar in theorie ook drie maanden of meer. Uiteraard blijft het ook in de nieuwe situatie van belang, dat de collegevorming binnen een afzienbare termijn plaatsvindt. Bij een lange formatieduur is het in ieder geval wel aan te raden dat raadsvergaderingen worden gepland om de bestuurlijke continuïteit te waarborgen.

Net als voorheen bepaalt de raad het aantal wethouders dat hij wil benoemen. De grenzen van dat aantal zijn bepaald in artikel 36 van de Gemeentewet.

Demissionaire status van het oude college

In de periode tussen de eerste samenkomst van de nieuwe raad en het moment van aftreden van het zittende college, heeft dit college een demissionaire status. Het oude college en de nieuwe raad moeten gezamenlijk beslissen welke zaken in die periode kunnen worden afgehandeld en welke beter kunnen wachten tot het nieuwe college aantreedt.

Hiervoor is al aangegeven dat de onverenigbaarheid van het raadslidmaatschap en het wethouderschap tot de kern van de dualisering hoort. Er zijn twee uitzonderingen op deze regel.

De periode tussen de stemming voor de raadsverkiezing en het tijdstip van aftreden van het zittende college. Een demissionaire wethouder mag wel raadslid zijn. Het is immers goed mogelijk dat wethouders als raadslid gekandideerd en gekozen worden bij de raadsverkiezingen. Het is wenselijk dat zij dan ook tijdelijk het raadslidmaatschap kunnen uitoefenen, zonder het wethouderschap te hoeven opgeven. Zonder dit zou de kans dat er tijdelijk in het geheel geen wethouders zijn erg groot worden.

De periode tussen benoeming als wethouder en de benoeming van de opvolger in de raad. Als de wethouder uit de raad komt en zijn raadslidmaatschap op moet geven omdat hij wethouder wordt kan hij raadslid blijven totdat zijn opvolger onherroepelijk is toegelaten tot de raad. Dit voorkomt mogelijk problemen die zouden kunnen voortvloeien uit het feit dat de raadsmeerderheid door het uittreden van wethouders gedurende die periode minderheid wordt.

De wethouders die uit de raad worden gekozen, houden van rechtswege op raadslid te zijn (artikel X 1 Kieswet). Normaliter dient een raadslid de raad ervan op de hoogte te stellen dat hij een onverenigbare functie gaat vervullen (zoals het wethouderschap) (artikel X 5 Kieswet). Een redelijke wetsuitleg is hier echter dat dit onnodig is omdat de raad immers zelf de wethouder benoemt. Eventueel kan volstaan een expliciete mededeling worden gedaan in de raadsvergadering. Het centraal stembureau zal vervolgens een opvolger in de raad moeten benoemen. Voor alle duidelijkheid: al met ingang van de raadsperiode die ingaat op 14 maart 2002 geldt het uitgangspunt van een demissionair college. De nu zittende wethouders kunnen dus na de verkiezing in 2002 tijdelijk wethouder blijven.

 

10.4 Herindelingsgemeenten
In diverse gemeenten worden in het voorjaar van 2002 geen gemeenteraadsverkiezingen gehouden in verband met gemeentelijke herindeling per 1 januari 2001, 2002 of 2003. Voor die gemeenten treedt de wet in principe in werking per 1 januari 2003. De gemeenten met een herindelingsdatum van 1 januari 2001 of 1 januari 2002 kunnen er echter voor kiezen de wet per 7 maart 2002 in werking te laten treden. Daarover hebben deze gemeenten inmiddels een brief ontvangen.

Voor gemeenten met een herindelingsdatum van 1 januari 2001 of 2002, betekent dit dat de nieuwe wet in de loop van een zittingsperiode van de raad ingevoerd moet worden. Voor de praktijk betekent dit dat de wethouders van rechtswege niet langer raadslid zijn (artikel X 1 Kieswet). In de daardoor ontstane raadsvacatures moet worden voorzien op de gebruikelijke in hoofdstuk W van de Kieswet geregelde wijze.

Een wethouder kan er uiteraard ook voor kiezen om ontslag te nemen als wethouder en raadslid te blijven. In dat geval moet hij voor genoemde datum aan de raad meedelen dat hij zijn functie als wethouder neerlegt. In zijn plaats dient dan een nieuwe wethouder te worden benoemd. Deze kan ook van buiten de raad komen.

In gemeenten die per 1 januari 2003 worden heringedeeld en waar eind 2002 raadsverkiezingen worden gehouden, treden de zittende raadsleden af met ingang van 1 januari 2003. De zittingsperiode van de nieuwe raad neemt op deze datum een aanvang. De nieuwe raden benoemen in hun eerste vergadering de wethouders, met inachtneming van de nieuwe regels, die hiervoor zijn omschreven.

de stappen tussen stemming en aantreden van de nieuwe wethouders in schema

1-6 maart * benoemingsbrieven aanmaken voor degenen die waarschijnlijk zullen worden gekozen (met marges)
6 maart Raadsverkiezingen
7 maart inwerkingtreding Wet dualisering gemeentebestuur
8 maart vaststelling uitslag door centraal stembureau
8 - 11 maart benoemingsbrieven uitreiken aan de gekozen leden (artikel V 1, lid 1, Kieswet nieuw)
op of z.s.m. na 8 maart (tot uiterlijk 18 - 21 maart) ** benoemden aanvaarden (of weigeren) benoeming en leveren noodzakelijke stukken in (artikelen V 2 en V 3 Kieswet)
uiterlijk 13 maart beslissing over toelating nieuwe leden (artikel V 12 Kieswet nieuw)
14 maart eerste samenkomst nieuwe raad (artikel 18 Gemeentewet nieuw in samenhang met artikel C 4 Kieswet nieuw)
na 14 maart benoeming wethouders (artikel 37 Gemeentewet nieuw); oude wethouders houden zitting totdat ten minste de helft van het aantal wethouders is benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen (artikel 42 Gemeentewet nieuw)

* alle data zijn in 2002
** Voor de aanvaarding van de benoeming geldt een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag van de kennisgeving.

Bijlage

Inwerkingtreding onderdelen van de Wet dualisering gemeentebestuur
In het navolgende worden verschillende onderdelen van de Wet dualisering gemeentebestuur op een rij gezet.

Uitgangspunt daarbij zijn vier hoofdvragen:

1. Wat moet?
Welke voorschriften werken direct en voor welke geldt een overgangstermijn?
2. Wat moeten gemeenten zelf regelen?
Welke voorschriften zijn er, waarin gemeentelijke organen tot bepaalde activiteiten worden verplicht? Moet dat direct of met overgangstermijn?
3. Wat mag?
Welke voorschriften zijn er, die gemeentelijke organen de mogelijkheid bieden bepaalde activiteiten te verrichten?
4. Waaraan kan verder worden gedacht?
Welke andere activiteiten zijn in het licht van de voorgaande drie categorieën wenselijk of mogelijk?

 

Wat moet?

Omschrijving onderdeel/maatregel Wanneer? Waar? artikelnr.
in Gemeentewet
wethouderschap onverenigbaar met raadslidmaatschap 7 maart 2002 artikel 13 lid 1k en artikel 36b lid 1j
verbod wethouders en burgemeester om lid te zijn van raadscommissies 14 maart 2002 (eerste samenkomst raad) artikel 82 lid 2
invoering demissionaire wethouder (zonder tijdslimiet) 7 maart 2002

artikel 36b lid 2 en
artikel 13 lid 2
(artikel 37 en
artikel 42 lid 1)

afzonderlijke eed wethouders 7 maart 2002 artikel 41a
nieuwe regeling nevenfuncties wethouders 7 maart 2002 artikel 41b
recht van initiatief 7 maart 2002 artikel 147a
recht van amendement 7 maart 2002 artikel 147b
recht op ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 7 maart 2002 artikel 33 lid 1
mondeling- en schriftelijk vragenrecht 7 maart 2002

artikel 155 lid 1 en
artikel 169 lid 3
en artikel 180 lid 3

actieve inlichtingenplicht college 7 maart 2002

artikel 169 lid 2 en
artikel 180 lid 2

recht van interpellatie 7 maart 2002 artikel 155 lid 2
afschaffen beroep op bestuursrechter tegen besluit wethoudersontslag 7 maart 2002 artikel 49
beperking rol burgerlijk rechter bij besluit wethoudersontslag 7 maart 2002 artikel 50
afschaffing afkoelingsperiode bij voornemen wethoudersontslag 7 maart 2002 schrapping artikel 50 (oud)
recht van onderzoek (enquête) 7 maart 2002 artikel 155a t/m artikel 155f
invoering gemeentelijke rekenkamer of rekenkamerfunctie Uiterlijk 1 januari 2006

artikel 81a t/m 81 o en
artikel 182 t/m 185

afschaffing mogelijkheid om bij verordening beleidsregels te stellen over de uitoefening van medebewindsbevoegdheden door het college (art. 148) 7 maart 2002 schrapping artikel 148 (oud)
afschaffing van de mogelijkheid om in verordeningen beroep open te stellen op de raad tegen collegebesluiten 7 maart 2002 schrapping artikel 152 (en 153)
invoering raadscommissies-nieuwe stijl 14 maart 2002 (eerste samenkomst raad) artikel 82
invoering bestuurscommissies-nieuwe stijl Uiterlijk 7 maart 2004 artikel 83
voorzitter raadscommissie kan alleen een raadslid zijn 7 maart 2002 artikel 82 lid 4
overheveling van zeven gemeentewettelijke bestuursbevoegdheden naar het college 7 maart 2002 artikel 160
overheveling veel bestuursbevoegdheden uit medebewindswetgeving naar het college Medio 2003 (naar verwachting) apart wetgevingstraject
burgemeester wordt als raadsvoorzitter (en als alle wethouders afwezig zijn ook voor zijn overige taken) waargenomen door langstzittende raadslid of door een door de raad aangewezen lid. 7 maart 2002 artikel 77
burgemeester wordt geïnformeerd over de uitkomst van de collegeonderhandelingen 7 maart 2002 artikel 35 lid 2
zorgplicht burgemeester voor eenheid collegebeleid 7 maart 2002 artikel 53a lid 1
agenderingsbevoegdheid burgemeester 7 maart 2002 artikel 53a lid 2
bevoegdheid burgemeester eigen voorstel aan college voor te leggen 7 maart 2002 artikel 53a lid 3
zorgplicht burgemeester tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoeren gemeentelijk beleid 7 maart 2002 artikel 170 lid 1a
zorgplicht burgemeester goede samenwerking met andere gemeenten en andere overheden 7 maart 2002 artikel 170 lid 1b
zorgplicht burgemeester goede behartiging overige gemeentelijke aangelegenheden 7 maart 2002 artikel 170 lid 3
zorgplicht burgemeester procedures burgerparticipatie 7 maart 2002 artikel 170 lid 1c
zorgplicht burgemeester zorgvuldige behandeling bezwaarschriften en klachten 7 maart 2002

artikel 170 lid 1d en
lid 1 e

plicht burgemeester een burgerjaarverslag uit te brengen 7 maart 2002 artikel 170 lid 2
benoemen raadsgriffier uiterlijk 7 maart 2003 artikel 100 en 107
college benoemt secretaris vanaf 7 maart 2002 artikel 102

 

Wat moeten gemeenten zelf regelen?

Omschrijving onderdeel/maatregel Wanneer? Waar? artikelnr.
in Gemeentewet
gedragscode wethouders * Uiterlijk 7 maart 2003 artikel 41 c lid 2
gedragscode burgemeester * Uiterlijk 7 maart 2003 artikel 69 lid 2
gedragscode raadsleden * Uiterlijk 7 maart 2003 artikel 15 lid 3
nadere regeling behandeling initiatiefvoorstellen Uiterlijk 7 maart 2003 artikel 147a lid 2 en 3
nadere regeling behandeling amendementen Uiterlijk 7 maart 2003 artikel 147b lid 2
verordening ambtelijke bijstand (incl.fractieondersteuning) Uiterlijk 7 maart 2003 artikel 33 lid 3
nadere regeling recht van interpellatie uiterlijk 7 maart 2003 artikel 155 lid 2
verordening met betrekking tot onderzoekscommissie voordat besluit tot houden onderzoek wordt genomen artikel 155a lid 8
verordening inzake uitgangspunten financieel beleid en regels voor financieel beheer en inrichting financiële organisatie Uiterlijk 15 november 2003 artikel 212
verordening inzake externe controle op financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie (aanscherpen accountantscontrole) Uiterlijk 15 november 2003 artikel 213
verordening m.b.t. doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoeken van het college naar het collegebestuur * uiterlijk 7 maart 2003 artikel 213a lid 1
herzien van het commissiestelsel volgens de nieuwe indeling afhankelijk van soort commissie hoofdstuk V
opstellen instructie griffier en nadere regels over benoeming en ontslag. uiterlijk 7 maart 2003, of zodra is besloten tot aanstelling griffier

artikel 107a, lid 2,
artikel 107, lid 1

vaststelling instructie secretaris door college 7 maart 2002 (als die wijzigt) artikel 103 lid 2

* Voor alle maatregelen met een asterisk geldt dat de raad kan besluiten de invoeringstermijn met een jaar te verlengen.

Wat mag?

Omschrijving onderdeel/maatregel Wanneer? Waar? artikelnr.
in Gemeentewet
niet-raadsleden tot wethouder benoemen vanaf 7 maart 2002 artikel 35
personen van buiten de gemeente tot wethouder benoemen (voor maximaal 1 jaar) vanaf 7 maart 2002

artikel 35 en
artikel 36a lid 2

mogelijkheid niet-raadsleden tot lid van raadscommissies te benoemen vanaf 7 maart 2002 artikel 82
mogelijkheid bestuurscommissies in te stellen door elk orgaan van de gemeente vanaf 7 maart 2002 artikel 83 lid 1
mogelijkheid 'andere' commissies in te stellen door elk orgaan van de gemeente vanaf 7 maart 2002 artikel 84 lid 1
Aanwijzen van een raadslid voor het waarnemen van het raadsvoorzitterschap en de overige taken van de burgemeester als alle wethouders afwezig zijn (i.p.v. langstzittende lid). vanaf 7 maart 2002 artikel 77
benoeming andere medewerkers raadsgriffie vanaf 7 maart 2002, bijvoorbeeld zodra is besloten tot aanstelling van een griffier artikel 107e lid 2
regels te stellen over de organisatie van de raadsgriffie vanaf 7 maart 2002, bijvoorbeeld zodra is besloten tot aanstelling van een griffier artikel 107e lid 1

 

Waaraan kan verder worden gedacht?

Omschrijving onderdeel/maatregel Wanneer?
Instellen werkgroep die voorstellen voor verplichte gemeentelijke regelingen doet en tracht de cultuur in de gemeente te veranderen. Vanaf heden
bij rekrutering en selectie van kandidaten voor het raadslidmaatschap en het wethouderschap rekening houden met de gewijzigde profielen Vanaf heden
rekening houden met mogelijkheid wethouders van buiten de raad en buiten de gemeente aan te trekken (mits wetsvoorstel tijdig in werking treedt!) Vanaf heden
tijdige bezinning door (aspirant-)collegefracties op verhouding met eigen wethouders in de komende periode Vanaf heden
tijdige bezinning door de raad en afzonderlijke fracties op omvang van en binding aan collegeprogramma Vanaf heden
aanpassing reglement van orde aan nieuwe wetsbepalingen (o.a. nadere regels amendement, initiatief en interpellatie) Direct na inwerkingtreding
begrotingsruimte creëren voor ambtelijke capaciteit i.v.m. recht op ambtelijke bijstand raad In begroting 2002
begrotingsruimte voor contra-expertise raad In begroting 2002
uitwerking mondeling en schriftelijk vragenrecht in reglement van orde Vanaf heden
doordachte gedragslijn inzake actieve informatieverschaffing aan de raad Vanaf heden
begrotingsruimte creëren uitoefening recht van onderzoek (enquête) In elke begroting standaard (vanaf 2002) of ad hoc
raad stelt ook materieel eigen agenda vast Vanaf heden
wijziging reglement van orde om een presidium van de raad in te stellen Vanaf heden
raadscommissie (voorzitter) stelt ook materieel eigen agenda vast Vanaf heden
rol van griffie nader bepalen en afhankelijk daarvan ambtelijk secretarissen raadscommissies in raadsgriffie opnemen Direct na instelling griffier
Nader overwegen wijze van invulling rekenkamer(functie) Vanaf heden
vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden meer van deze bevoegdheden aan college delegeren Vanaf heden
extra aandacht van de burgemeester voor het belang van de raad bij de uitoefening van zijn raadsvoorzitterschap Vanaf heden
rapportage in burgerjaarverslag over andere zaken dan de in de wet genoemde (bijv. veiligheidsbeleid) In burger-jaarverslag over 2002