Inleiding
Het doel van deze gedragscode is om bestuurders een houvast te bieden bij het bepalen van normen omtrent de integriteit van het bestuur. De code kan de discussie stimuleren om lokaal of provinciaal tot regels te komen, waarbij rekening kan worden gehouden met specifieke omstandigheden. De code bevat regels zowel voor het bestuursorgaan in zijn geheel als voor bestuurders afzonderlijk. Onder bestuurders worden primair verstaan burgemeester en wethouders en commissaris van de Koningin en gedeputeerden. De code kan naar analogie ook worden toegepast op raads- en statenleden, indien noodzakelijk in aangepaste vorm. Met de aanvaarding van de wetsvoorstellen tot dualisering van het gemeente- en provinciebestuur zal de aanwezigheid van gedragscodes voor gemeenten per 7 maart 2003 en voor provincies per 11 maart 2004 verplicht worden gesteld. Raden en staten hebben eventueel de mogelijkheid deze termijn met een jaar te verlengen.
De code geeft niet per definitie regels die rechtskracht hebben, maar heeft vooral bestuurlijke en politieke relevantie. Bestuurders zijn op de naleving van gedragscodes aanspreekbaar en wanneer zij zich er niet aan houden kan dat gevolgen hebben voor hun functioneren en voor hun positie. Overigens kan de rechtskracht van de code versterkt worden door deze onderdeel te maken van een verordening die op gemeentelijk of provinciaal niveau wordt vastgesteld. Niet voor alle regels ligt een dergelijke juridische verankering echter voor de hand. Naast deze code bestaan er voorschriften die in wet of elders geregeld zijn, bijvoorbeeld over fraude, valsheid in geschrifte en over nevenfuncties. In het eerste deel van deze publicatie is daarop ingegaan. Dergelijke voorschriften zijn niet in deze code opgenomen.
De code bevat zowel normen over hoe in een bepaalde situatie te handelen als regels over procedures die moeten worden gevolgd. Procedure-afspraken kunnen een onlosmakelijk onderdeel zijn van een gedragsregel en de transparantie en daarmee de controleerbaarheid vergroten.
De code bestaat uit twee onderdelen.
Deel I beschrijft een aantal kernbegrippen van integriteit en plaatst daarmee het vraagstuk in een breder kader. Zij vormen als het ware de algemene uitgangspunten voor de gedragscode. De gehanteerde begrippen zijn in dezelfde of soms iets andere bewoordingen in de publikatie terug te vinden.
Deel II bevat de feitelijke gedragsregels, waarbij een aantal thema's wordt onderscheiden:
- algemene bepalingen
- belangenverstrengeling en aanbesteding
- nevenfuncties
- informatie
- aannemen van geschenken
- bestuurlijke uitgaven
- declaraties
- creditcards
- gebruik van gemeentelijke en provinciale voorzieningen
- reizen buitenland
Voor de opstelling van de code is mede gebruik gemaakt van bestaande voorbeelden in gemeenten en provincies.







